Les 2. Weggebruikers

Bijna elke examenvraag begint met een categorie: een fietser, een bromfietser, een voetganger, een tram. En de regel die het antwoord geeft, spreekt óók een categorie aan — «bestuurders», «weggebruikers», «motorvoertuigen». Wie de categorie verkeerd bepaalt, past de juiste regel op de verkeerde persoon toe. Daarom staat deze les vóór de regels zelf: eerst weten wie daar rijdt, dan pas wat hij moet.

Die categorieën komen niet uit de omgangstaal maar uit art. 1 RVV 1990. Dat artikel is één lange lijst definities, en het examen toetst die lijst letterlijk: hoeveel personen een autobus vervoert, waar de grens van de vrachtauto ligt, waarom de snorfiets juridisch een bromfiets is en toch andere regels heeft.

De drie woorden waarop alles rust

Drie definities uit art. 1 bepalen samen op wie een norm slaat.

Weggebruiker is de ruimste kring: «weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen». Iedereen die zich op de weg bevindt, dus ook wie loopt.

Bestuurder is dezelfde kring min één groep: «bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers». De fietser is bestuurder. De ruiter is bestuurder. De veedrijver is bestuurder. «Het is maar een fiets» is geen argument: waar de wet «bestuurders» zegt, hoort hij erbij.

Voertuig is smaller dan het lijkt: «voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens». En daarbinnen zit nog een engere kring: «motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen». De bromfiets is dus wél een voertuig en géén motorvoertuig, en de tram valt er af omdat hij op rails loopt. Art. 1 zegt ten slotte kort: «verkeer: alle weggebruikers».

Examensituatie: een vraag zegt dat een regel geldt «voor bestuurders» en toont een fietser op een kruispunt. Geldt de regel? Ja — de fietser is bestuurder. Toont dezelfde vraag iemand die zijn fiets aan de hand meevoert, dan is het antwoord nee: die persoon telt als voetganger.

De valkuil is het woord «motorvoertuig». Een regel over motorvoertuigen raakt de auto, de motorfiets en de vrachtauto, maar niet de bromfiets en niet de fietser. Lees eerst welk woord er staat, en bepaal daarna pas het antwoord.

De voetganger — en wie er als voetganger telt

De voetganger is de enige weggebruiker die géén bestuurder is, en art. 2 rekt die groep op. Lid 1: de regels over voetgangers gelden ook voor bestuurders van een gehandicaptenvoertuig zodra zij het voetpad of trottoir gebruiken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. Lid 2 is de bekendste: «De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.» Wie afstapt en zijn brommer duwt, is voetganger; skeelers en een step vallen onder dezelfde zin.

Waar de voetganger hoort, staat in art. 4: «Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.» Ontbreken die, dan het fietspad of het fiets/bromfietspad (lid 2); ontbreekt ook dat, dan de berm of de uiterste zijde van de rijbaan (lid 3). Een voetganger op de rijbaan buiten de bebouwde kom is dus meestal geen overtreder — hij staat daar rechtmatig, en jij moet op hem rekenen. Skeeleraars en steppers volgen die volgorde niet: art. 4 lid 4 haalt hen weg bij lid 1 en lid 2 en geeft hun het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir óf het voetpad — vrije keuze — en pas als dat alles ontbreekt de rijbaan.

Bord G07 wijst een voetpad aan: voor de gewone bestuurder is die weg dicht, ook voor de fietser. Eén groep hoort er wél thuis: art. 7 geeft het voetpad uitdrukkelijk aan de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, en daar gelden voor hem de regels van de voetganger (art. 2 lid 1). Het spiegelbeeld is C16.

Examensituatie: buiten de bebouwde kom, geen trottoir, geen berm die begaanbaar is, en er loopt iemand langs de kant van de rijbaan. Mag dat? Ja, art. 4 wijst hem die plaats juist aan. Passeer met ruimte en met aangepaste snelheid.

Valkuil: denken dat iemand met een fiets aan de hand «half fietser» is. Voor de wet is hij helemaal voetganger — hij mag het zebrapad gebruiken en het voetpad, en de regels voor fietsers gelden niet voor hem.

De fietser

De fietser is bestuurder, en zijn plaats staat in art. 5: «Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad» (lid 1); is er geen van beide, dan de rijbaan (lid 2). Het verplichte fietspad wordt aangeduid door bord G11.

Naast het verplichte pad bestaat het onverplichte fietspad, bord G13. Art. 5 lid 3: «Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.» Onverplicht betekent onverplicht: een fietser die naast zo’n pad op de rijbaan blijft, doet niets verkeerds.

fietspad

Twee regels die het examen graag combineert. Art. 3 lid 2: «Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.» En art. 5 lid 4: «Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken.» Een brede bakfiets hoort dus niet klemgereden te worden op een smal pad.

Op de rijbaan zelf geldt art. 10 lid 2: «Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.» De fietsstrook hoort bij de rijbaan, maar hij is niet van jou.

Examensituatie: je nadert twee fietsers naast elkaar op een rijbaan zonder fietspad. Mag dat? Ja, art. 3 lid 2 staat het uitdrukkelijk toe. Rijden er twee snorfietsers naast elkaar, dan mag het niet — dezelfde zin sluit hen uit.

De bromfiets: geel kenteken

De bromfiets rijdt op zijn eigen pad. Art. 6 lid 1: «Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.» En lid 2: «Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.» Het gewone fietspad is niet van hem, hoe vaak er ook een fiets op het bord staat. Het fiets/bromfietspad is bord G12a.

Lid 3 haalt de brede exemplaren van dat pad af: «Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan.»

Zijn snelheid hangt niet aan een bord maar aan de plaats waar hij rijdt. Art. 20 onderdeel b geldt binnen de bebouwde kom: «voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fiets/bromfietspad 30 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur;». Buiten de bebouwde kom zegt art. 21 onderdeel b hetzelfde met andere getallen: 40 op het fiets/bromfietspad en 45 op de rijbaan.

Snelwegen zijn voor hem gesloten, en niet door een bord. Art. 42 lid 1: «Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.» Lid 2 stelt voor de autoweg de eis op ten minste 50. De bromfiets haalt geen van beide — en hij is bovendien geen motorvoertuig.

Stilstaan doet hij ook anders dan een auto. Art. 27: «Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.» Een parkeervak voor auto’s is dus niet zijn plek, ook al heeft hij een kenteken.

Twee bijzondere vormen horen hier. De brommobiel is volgens art. 1 een «bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie», en art. 2a legt op hem de regels voor motorvoertuigen in plaats van die voor bromfietsen: hij rijdt dus op de rijbaan en niet op het pad. Zijn maximum staat apart in art. 22 onderdeel c: 45 km per uur. En de speed-pedelec is volgens art. 1 een «elektrische bromfiets met trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht aanhoudt als het voertuig de snelheid van 25 km per uur overschrijdt» — juridisch dus een bromfiets, met kenteken, helm en de plaats van de bromfiets. De brombakfiets ten slotte is een bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen met twee voorwielen, uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder, van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier — die passagier komt straks bij de helm terug.

Examensituatie: je rijdt binnen de bebouwde kom op een bromfiets over het fiets/bromfietspad en er staat nergens een snelheidsbord. Wat mag je? Dertig. Het bord ontbreekt niet per ongeluk: de wet zelf noemt hier het getal.

Valkuil: één getal onthouden voor de bromfiets. Er zijn er vier, en de vraag is altijd dezelfde — binnen of buiten de kom, pad of rijbaan.

De snorfiets: blauw kenteken

De snorfiets is geen «langzame bromfiets», maar een eigen categorie met een eigen kenteken. Art. 1 noemt hem een «bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec».

Zijn snelheid staat in art. 22 onderdeel d: «voor snorfietsen 25 km per uur». Die 25 geldt overal — op het pad, op de rijbaan, binnen en buiten de bebouwde kom. Zijn plaats staat niet bij de bromfiets maar bij de fietser, en dat doet art. 2b: «De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.» Hij rijdt dus waar de fietser rijdt: het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad (art. 5 lid 1), en anders de rijbaan (lid 2). Art. 5 lid 3 laat hem daarnaast het onverplichte fietspad gebruiken, met een verbrandingsmotor alleen met uitgeschakelde motor. En «tenzij anders is bepaald» is de rest van deze paragraaf: naast elkaar rijden mag hij niet (art. 3 lid 2), zijn maximum blijft 25, en de helm draagt hij wel (art. 60).

Eén uitzondering telt vooral in de grote steden. Art. 5 lid 8: «Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt.» Het onderbord bij het bord van het verplichte fietspad is het enige kenmerk: staat het er niet, dan blijft de snorfietser op het pad.

Waar hij niet mag komen, zegt bord C13: «Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen, met in werking zijnde motor». De laatste woorden tellen, en de komma zet ze achter alle drie de categorieën: met de motor uit mag je er lopend of trappend wél door.

Examensituatie: een snorfiets haalt je in op het onverplichte fietspad en zijn motor loopt hoorbaar. Klopt dat? Alleen als het een elektrische is. Bij een verbrandingsmotor stelt art. 5 lid 3 de uitgeschakelde motor als voorwaarde, niet als advies.

Valkuil: snorfiets en bromfiets als één ding zien. Twee kentekenkleuren, twee plaatsen op de weg, twee snelheden — en verschillende regels over naast elkaar rijden.

Het gehandicaptenvoertuig

Art. 1 omschrijft dit voertuig door drie eisen tegelijk: «voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is». Het is dus géén motorvoertuig, en dat verandert welke regels op hem slaan.

Zijn plaats is de ruimste van alle categorieën. Art. 7: «Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.» Rijdt hij op het trottoir of het voetpad, dan gelden volgens art. 2 lid 1 de regels voor voetgangers voor hem, en zijn snelheid daar is volgens art. 20 onderdeel c en art. 21 onderdeel c 6 km per uur. Op de andere oppervlakken gelden voor hem de getallen van de bromfiets: binnen de bebouwde kom 30 op het fietspad en op het fiets/bromfietspad en 45 op de rijbaan, buiten de kom 40 en 40 en dezelfde 45 (art. 20 onderdeel b, art. 21 onderdeel b). Bord C15 sluit hem samen met fietsen en bromfietsen uit.

Examensituatie: een gehandicaptenvoertuig steekt over van het ene trottoir naar het andere. Wat is hij op dat moment? Voetganger — art. 2 lid 1 zegt het met zoveel woorden: «of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken». Let op het verschil met art. 49 lid 2: dáár noemt de wet hem juist náást de voetganger, omdat die plicht voor beide groepen apart is opgeschreven.

Valkuil: verbaasd zijn dat hij op het trottoir rijdt en denken dat hij daar fout zit. Art. 7 geeft hém de keuze; jij past je aan.

Motorfiets, personenauto, bestelauto, vrachtauto, autobus

Deze groep valt onder één plaatsregel. Art. 10 lid 1: «Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan.» De auto is dus wat overblijft nadat de wet de bijzondere weggebruikers heeft opgesomd, niet het uitgangspunt.

Art. 1 trekt daarna de grenzen binnen de groep:

  • motorfiets: «motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen».
  • personenauto en driewielig motorvoertuig: art. 1 verwijst voor beide naar artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.
  • bestelauto: «motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg».
  • vrachtauto: «motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg». De grens is dus de massa, niet het uiterlijk.
  • autobus: «motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen».
  • lijnbus: «motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000». Niet elke bus is een lijnbus, en dat verschil staat op busstroken en op matrixborden.
  • T100-bus: een autobus die blijkens het kentekenbewijs of het kentekenregister «in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur».

Examensituatie: een bestelbus met reclame op de zijkant rijdt buiten de bebouwde kom. Welke limiet? Dat hangt af van de toegestane maximummassa, niet van het formaat: tot en met 3500 kg is het een bestelauto, daarboven een vrachtauto met zijn eigen bijzondere maximum.

Valkuil: «bus is bus». De autobus, de lijnbus en de T100-bus zijn drie verschillende begrippen, en alleen de laatste heeft een hogere snelheid.

De tram

De tram staat in art. 1 wél in de lijst «voertuigen», maar valt buiten «motorvoertuigen»: die zijn immers «bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen». De trambestuurder is weggebruiker en bestuurder, en regels die «motorvoertuigen» aanspreken raken hem niet.

Waar het examen hem vooral tegenkomt, is de voorrang — daar heeft de tram eigen uitzonderingen, en die staan in de les over voorrang. Wat hier telt: hij kan niet uitwijken, hij remt over een veel langere afstand, en art. 52 zegt dat wie een stilstaande tram of autobus aan de instapzijde wil passeren, de passagiers de gelegenheid moet geven in en uit te stappen.

Het voorrangsvoertuig

Ook dit is een categorie uit art. 1 en geen soort auto: «voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29». Een politiewagen zonder die signalen is dus een gewone auto.

Welke signalen dat zijn, zegt art. 29: bestuurders van motorvoertuigen bij politie en brandweer, bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en bij andere aangewezen hulpverleningsdiensten voeren «blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen». Licht en geluid samen, niet één van beide.

Art. 50 bestaat uit één zin: «Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.» Er staat «weggebruikers», dus ook de fietser en de voetganger maken ruimte. Hoe je dat doet en wat het niet opheft, staat in de les over voorrang.

En waarom die auto mag rijden zoals het voor jou verboden is, zegt art. 91: «Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.» Afwijken mag precies zo ver als de taak het vereist — het is geen recht om te rijden zoals hij wil.

Valkuil: geel of groen zwaailicht voor hetzelfde aanzien. Dat hoort volgens art. 30 bij werkvoertuigen en geeft geen enkel recht — het waarschuwt alleen.

Ruiter, veedrijver en wagen

Art. 1 noemt ze in één adem met de auto: ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen zijn weggebruikers, en omdat ze geen voetganger zijn dus ook bestuurders. Voorrang van rechts geldt voor hen net zo goed.

De ruiter heeft een eigen pad. Art. 8 lid 1: «Ruiters gebruiken het ruiterpad.» Lid 2: ontbreekt dat, dan de berm of de rijbaan. Het ruiterpad wordt aangeduid door bord G09.

Voor dieren gelden twee normen die het examen graag stelt. Art. 51 lid 1: «Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.» En art. 36 legt de verlichting vast: «Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.»

Examensituatie: op een landweg loopt een kudde onder begeleiding op de rijbaan. Wat doe je? Je bent bestuurder tegenover een bestuurder: passeer rustig, zonder claxon, en houd er rekening mee dat dieren onvoorspelbaar uitwijken.

Valkuil: een paard behandelen als een voertuig dat op jouw handeling reageert. Het reageert op geluid en beweging, en dat is precies wat je moet beperken.

Trekker, MMBS en mobiele machine

Landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines vormen samen de trage groep, en zij hebben een eigen maximum. Art. 22a: «geldt als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen: 25 km per uur». Het tweede lid maakt daar 40 km per uur van: buiten de bebouwde kom altijd, en binnen de kom op wegen met een vrijliggend fietspad of fiets/bromfietspad, op wegen die voor fietsers gesloten zijn en op wegen waar 70 km per uur geldt.

Bord C08 sluit ze alle drie uit: «Gesloten voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines».

Examensituatie: je nadert buiten de bebouwde kom een trekker met een brede aanhanger. Hoe groot is het snelheidsverschil? Jij rijdt tot 80, hij hooguit 40 — het inhaalpunt komt sneller dan je denkt.

Valkuil: één getal voor de trekker onthouden. Er zijn er twee, en de weg beslist welk.

Colonnes, optochten en uitvaartstoeten

Art. 16 bestaat uit één zin: «Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.» Er staat «weggebruikers», dus het verbod geldt ook voor fietsers en voetgangers. En er staat géén voorrang: het is een verbod aan jou, niet een recht van hen.

Wat een militaire colonne is, zegt art. 1: «een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren». Drie kenmerken dus, en het derde zie je vanaf de weg: het herkenningsteken. Een uitvaartstoet herken je aan het herkenningsteken uit art. 30c, en art. 31 verbiedt dat teken in andere gevallen te voeren — het is dus een betrouwbaar signaal, en niet de sfeer van langzaam rijdende donkere auto’s.

Te voet vormt zo’n groep ook een eenheid. Art. 9: «Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een colonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.» En art. 2 lid 3: «De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde colonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.» De groep wordt dan als één verkeersdeelnemer behandeld.

Valkuil: elke rij vrachtwagens of elke groep motorrijders voor een colonne aanzien. Zonder militaire herkomst, één commandant én het voorgeschreven herkenningsteken is het gewoon verkeer.

Kwetsbare weggebruikers

Sommige weggebruikers noemt de wet apart, niet omdat zij meer rechten hebben, maar omdat een fout tegen hen anders afloopt. Art. 49 lid 1: «Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.» Deze plicht hangt niet aan een oversteekplaats: hij geldt overal op de weg.

Lid 2 voegt daar de voetganger en de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig aan toe die op een voetgangersoversteekplaats oversteken «of kennelijk op het punt staan zulks te doen». Wachten tot iemand het asfalt op stapt is dus al te laat. Uitzonderingen kent lid 2 er twee. Lid 3: het geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig in een militaire colonne of een uitvaartstoet. Lid 4: het geldt evenmin als voor de voetganger een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht brandt (art. 74 lid 2).

Valkuil: «kwetsbaar» lezen als «zielig». Het is een categorie met eigen normen — en de norm van lid 1 is de sterkste plicht van de hele les.

De helm en de passagiers

Art. 60 lid 1 somt op wie een helm draagt: «De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, snorfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen». De helm moet goedgekeurd zijn en met de sluiting deugdelijk op het hoofd bevestigd. De snorfietser staat er dus gewoon bij; de gesloten brommobiel niet.

Lid 2 noemt de uitzonderingen, waaronder de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets. Lid 3 verbiedt het vervoeren van passagiers beneden de twaalf jaren op een andere wijze dan het artikel voorschrijft.

Voor passagiers op fiets en bromfiets geldt art. 58a: passagiers jonger dan 8 jaar worden alleen vervoerd op een doelmatige en veilige voorziening met steun voor rug, handen en voeten, en het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager is toegestaan aan fietsers, «met uitzondering van snorfietsers».

Valkuil: de helmplicht aan de snelheid koppelen. Het artikel noemt categorieën, niet kilometers.

Wie waar rijdt — het overzicht

WeggebruikerPlaats op de wegArtikel
Voetgangertrottoir of voetpad; anders (brom)fietspad; anders berm of uiterste zijde rijbaanart. 4
Skeeleraar en stepperfietspad, fiets/bromfietspad, trottoir of voetpad; anders de rijbaanart. 4 lid 4
Fietserverplicht fietspad of fiets/bromfietspad; anders rijbaan; onverplicht fietspad magart. 5
Snorfietserverplicht fietspad of fiets/bromfietspad, net als de fietser; anders de rijbaan; onverplicht fietspad mag, verbrandingsmotor uitart. 2b + art. 5
Bromfietserfiets/bromfietspad; anders rijbaanart. 6
Gehandicaptenvoertuigtrottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of rijbaanart. 7
Ruiterruiterpad; anders berm of rijbaanart. 8
Alle overige bestuurdersde rijbaanart. 10

De snelheden per categorie

De grens tussen twee kolommen is het bord H01, dat de bebouwde kom aankondigt.

Plaatsnaam

VoertuigBinnen de komBuiten de komAutowegAutosnelweg
Personenauto5080100130
Personenauto met aanhangwagen (≤ 3500 kg)50809090
Motorfiets5080100130
Vrachtauto50808080
Autobus50808080
Bromfiets45 rijbaan, 30 pad45 rijbaan, 40 padverbodenverboden
Snorfiets2525verbodenverboden
Gehandicaptenvoertuig met motor45 rijbaan, 30 pad, 6 trottoir45 rijbaan, 40 pad, 6 trottoirverbodenverboden

Het hoogste getal in de tabel is de wettelijke standaard van art. 21; op vrijwel het hele net staat overdag een bord met een lagere waarde, en het bord gaat vóór.

De T100-bus is de enige uitzondering in die rij: voor hem geldt 100. De brommobiel rijdt op de rijbaan en mag 45. Een aanhangwagen zwaarder dan 3500 kg haalt de 90 niet: dan geldt 80 km per uur (art. 22 onderdeel f). En wie de autosnelweg op wil, moet ten minste 60 kunnen en mogen rijden, voor de autoweg is dat 50.

Vanaf welke leeftijd

De minimumleeftijden staan niet in het RVV maar in art. 110 WVW 1994 en art. 5 van het Reglement rijbewijzen.

CategorieRijbewijs vanaf
AM — bromfiets en brommobiel16
B — personenauto18
B met begeleiderspas17
A1 — lichte motor18
A2 — middelzware motor20
A — zware motor24

Wie al A2 heeft, komt op 22 aan categorie A; voor driewielige motorrijtuigen van categorie A geldt 21.

Valkuil: denken dat 17 een gewone leeftijdsgrens is. Het is een uitzondering die alleen bestaat zolang je een geldige begeleiderspas hebt en ook echt begeleid rijdt.

Wat je onthoudt

  • Bepaal eerst de categorie, pas dan de regel. «Weggebruiker» is iedereen, «bestuurder» is iedereen behalve de voetganger.
  • De bromfiets is een voertuig maar geen motorvoertuig; de tram is een voertuig maar geen motorvoertuig; het gehandicaptenvoertuig evenmin.
  • Wie zijn fiets of brommer aan de hand meevoert, is voetganger.
  • Bromfiets: geel kenteken, fiets/bromfietspad. Snorfiets: blauw kenteken, en volgens art. 2b de plaats van de fiets — ook het onverplichte fietspad, met verbrandingsmotor daar met de motor uit.
  • De bromfiets heeft vier snelheden en de snorfiets één.
  • Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar, snorfietsers niet.
  • Het gehandicaptenvoertuig mag overal rijden waar de wet hem toelaat, ook op het trottoir — en telt daar als voetganger.
  • Colonnes en uitvaartstoeten doorsnijd je niet; voorrang geven zij niet.
  • De helm hangt aan de categorie van het voertuig, niet aan de snelheid.

In de wet

  • art. 1 — definities van weggebruikers, bestuurders, voertuigen, motorvoertuigen, bromfiets, snorfiets, brommobiel, speed-pedelec, gehandicaptenvoertuig, autobus, lijnbus, T100-bus, vrachtauto, bestelauto, motorfiets en militaire colonne.
  • art. 2 — wanneer iemand als voetganger telt, en wanneer een stoet als wagen.
  • art. 2a — de brommobiel volgt de regels van het motorvoertuig, niet die van de bromfiets.
  • art. 2b — de snorfiets volgt de regels van de fiets, tenzij anders is bepaald.
  • art. 3 — rechts houden; fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar.
  • art. 4 — plaats van de voetganger; lid 4 geeft skeeleraars en steppers een eigen plaats.
  • art. 5 — plaats van de fietser en van de snorfiets.
  • art. 6 — plaats van de bromfiets.
  • art. 7 — plaats van het gehandicaptenvoertuig.
  • art. 8 — plaats van de ruiter.
  • art. 9 — voetgangers in colonne, optocht of uitvaartstoet op de rijbaan.
  • art. 10 — alle overige bestuurders op de rijbaan; fietsstroken met doorgetrokken strepen.
  • art. 16 — militaire colonnes en uitvaartstoeten niet doorsnijden.
  • art. 20 — maximumsnelheden binnen de bebouwde kom per categorie.
  • art. 21 — maximumsnelheden buiten de bebouwde kom per categorie.
  • art. 22 — bijzondere maximumsnelheden, waaronder brommobiel en snorfiets.
  • art. 22a — trekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines.
  • art. 27 — waar fietsen en bromfietsen worden neergezet.
  • art. 29 — blauw zwaailicht met tweetonige hoorn: een dringende taak.
  • art. 30 — geel of groen zwaailicht hoort bij werkvoertuigen.
  • art. 30c — herkenningsteken van de uitvaartstoet.
  • art. 31 — dat teken mag niet in andere gevallen worden gevoerd.
  • art. 36 — lantaarn voor ruiters en geleiders van dieren.
  • art. 42 — minimumsnelheid om de autosnelweg en de autoweg te mogen gebruiken.
  • art. 49 — blinden en wie zich moeilijk voortbeweegt; voetgangers op de oversteekplaats.
  • art. 50 — het voorrangsvoertuig voor laten gaan.
  • art. 51 — dieren niet zonder toezicht loslaten.
  • art. 52 — gelegenheid geven aan in- en uitstappende passagiers.
  • art. 58a — passagiers op fiets en bromfiets.
  • art. 60 — helmplicht en de uitzonderingen daarop.
  • art. 74 — het rode voetgangerslicht en het gele knipperlicht.
  • art. 91 — het voertuig met voorrang mag afwijken voor zover zijn taak dat vereist.
  • art. 110 WVW 1994 en art. 5 Reglement rijbewijzen — minimumleeftijden.

Volgende les

Gecontroleerd op: