Woordenlijst
De Nederlandse termen uit de wet, met lidwoord, uitspraak en waarmee ze verward worden.
A
- de aanhangwagen
Voertuig zonder eigen aandrijving achter een auto. Met rijbewijs B mag het samenstel tot 3500 kg; boven die grens is BE of B96 nodig. Achter een aanhanger geldt buiten de bebouwde kom een lagere maximumsnelheid dan zonder.
- de aanhangwagen met een stijve dissel
Aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie niet ten opzichte van de as beweegbaar is (art. 1.1 Regeling voertuigen). De stijve dissel draagt dus mee: een deel van het gewicht komt altijd op de trekhaak. Dat maakt het koppelen eenvoudiger en de wagen stabieler, maar het betekent ook dat het kogeldrukmaximum van je auto de grens is, niet alleen de massa.
- de aanwijzing
Een mondeling of met gebaren gegeven opdracht van iemand die daartoe bevoegd én als zodanig kenbaar is: een bevoegd ambtenaar, de Koninklijke Marechaussee of een verkeersregelaar. Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens én verkeersregels — dat is de hoogste trede die de wet kent.
- ABS
Antiblokkeersysteem: het houdt de wielen tijdens hard remmen draaiend, zodat je kunt blijven sturen. Het pedaal trilt dan — dat is het systeem, geen defect, en je houdt het pedaal juist ingedrukt. ABS verkort de remweg niet altijd; op grind of los zand kan die langer worden.
- de accu
- het achterlicht
- achteruitrijden
- het achteruitrijlicht
- de adviessnelheid
- de afleiding
- de afrit
- het afritnummer
- afslaan
- afstand houden
- de afstandaanduiding
- de airbag
- het akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem
- de alarmlichten
- het alcoholslot
- de ambulance
- het andreaskruis
- de APK
- het aquaplaning
- de autobus
- de autogordel
- de autosnelweg
- de autoweg
B
- de bagage
Spullen die je meeneemt in of op het voertuig. De bestuurder mag bij het besturen niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd (Regeling voertuigen, art. 5.18.3). Lading moet zo zijn gezekerd dat zij bij volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek niet van het voertuig valt of de stabiliteit in gevaar brengt: in de rijrichting 0,8 maal het gewicht van de lading, zijwaarts en achterwaarts 0,5 maal dat gewicht (art. 5.18.6). Losse tassen op de hoedenplank halen die norm niet.
- het bandenprofiel
De groeven in het loopvlak. Wettelijk minimum 1,6 mm in de hoofdgroeven, over de gehele omtrek, slijtage-indicatoren niet meegerekend.
- de bandenspanning
De druk in de banden. Te lage spanning maakt de auto onrustig in de bocht, verlengt de remweg, verhoogt het verbruik en laat de band aan de randen slijten. Controleren doe je op koude banden.
- de bebording
Het geheel van borden langs een weg. Een bord werkt vanaf de plek waar het staat; heb je het gemist, dan geldt het toch. Herhaling na een kruispunt is gebruikelijk maar niet altijd verplicht.
- de bebouwde kom
- de bedrijfsauto
- de bedrijfsrem
- de begeleiderspas
- de beginnend bestuurder
- de berm
- het bermongeval
- de beslissingswegwijzer
- het bestemmingsverkeer
- de bestuurder
- de bestuurder van een motorvoertuig
- het bevoegd gezag
- de beweegbare brug
- de bijzondere bromfiets
- de bijzondere manoeuvre
- de blauwe zone
- de blokmarkering
- de bocht
- de bochtverlichting
- de boete
- het brandblusapparaat
- het brandstofverbruik
- de brombakfiets
- de bromfiets
- de bromfietsaanhangwagen
- het bromfietspad
- de brommobiel
- bumperkleven
- de busbaan
- de busbaanoversteek
- de bushalte
- de busstrook
C
- de carpoolplaats
Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers, aangeduid door bord E13 van bijlage 1: reizigers laten hier hun eigen auto staan en rijden samen verder. De plaatsen liggen meestal bij een op- of afrit, zodat de omweg klein blijft. Ook hier geldt art. 24 lid 1 onder d: parkeren met een ander doel dan op het bord staat is verboden, dus het is geen gratis langparkeerterrein. Een onderbord met dagen of uren beperkt de werking tot die tijden (art. 24 lid 2).
- de claxon
Geluidssignaal om anderen te waarschuwen voor gevaar. Gebruik uit ergernis hoort er niet bij en kan zelf gevaarlijk zijn.
- de condens
Waterdamp die op een koude ruit neerslaat en het zicht van binnenuit wegneemt. Natte jassen, adem en een volle auto leveren de damp; koude ruiten vangen hem op. Personenauto’s met een voorruit die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen moeten een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit hebben (Regeling voertuigen, art. 5.2.44), en de bestuurder moet voldoende zicht naar voren en opzij houden (art. 5.18.4). Airco droogt de lucht en helpt het snelst; op recirculatie blijft de damp juist binnen.
- de contourmarkering
Opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven (art. 1.1 Regeling voertuigen). Een volledige contourmarkering tekent de hele omtrek met een doorlopende lijn; een gedeeltelijke tekent de lengte door een lijn en de hoogte alleen door de bovenhoeken. Daardoor herken je in het donker meteen hoe groot het voertuig is en of het dwars staat.
- de corrosie
D
- de dag
De periode tussen zonsopgang en zonsondergang (art. 1). Bij dag mag je geen groot licht voeren (art. 32 lid 2), en dimlicht is bij dag alleen verplicht wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd (art. 32 lid 1). Wat telt is de stand van de zon, niet de klok in je auto.
- het dagrijlicht
Licht dat voorwaarts is gericht en het voertuig overdag beter zichtbaar maakt (Regeling voertuigen, art. 1.1). Het verlicht de weg niet en schakelt het achterlicht niet in: bij mist, schemer of regen zie jij misschien genoeg, maar van achteren blijf je donker. Wordt het zicht ernstig belemmerd, dan is dimlicht verplicht (art. 32 lid 1) en is dagrijlicht niet genoeg.
- de dakkoffer
Gesloten bak op een dakdrager. Bij vervoer van goederen op het dak moeten de goederen deugdelijk op een deugdelijke lastdrager zijn bevestigd, de lastdrager deugdelijk aan het voertuig, en mag de door de fabrikant vastgestelde maximale daklast niet worden overschreden (Regeling voertuigen, art. 5.18.7 lid 2). Bord C19 sluit voertuigen uit die met inbegrip van de lading hoger zijn dan is aangegeven, en het zwaartepunt gaat omhoog: langere remweg en meer zijwindgevoeligheid.
- de daling
Weggedeelte dat omlaag loopt. De zwaartekracht werkt mee met je snelheid, dus de remweg wordt langer. Op een lange daling schakel je terug en laat je de motor het werk doen; aanhoudend remmen maakt de remmen heet, en hete remmen grijpen slechter.
- de dierenambulance
- het dimlicht
- de dode hoek
- de doodlopende weg
- het doorgaand verkeer
- de doorgaande rijbaan
- de doorgetrokken streep
- het draagvermogen
- de draairichting
- het driewielig motorvoertuig
- de drugs
E
- de eenrichtingsweg
Weg waarop verkeer maar in één richting is toegestaan. Bord C2 sluit de weg in deze richting af voor voertuigen, ruiters en geleiders van dieren; C3 en C4 wijzen juist de toegestane richting aan. Een onderbord kan fietsers en bromfietsers uitzonderen, zodat je in de andere richting wél een fiets kunt tegenkomen — kijk daarom bij het uitrijden beide kanten op.
- de eerste hulp
Wat je doet vóór de hulpdiensten er zijn: eigen veiligheid eerst, 112 bellen, slachtoffer niet verplaatsen tenzij er direct gevaar is. De helm van een motorrijder blijft op, tenzij hij niet ademt.
- het elektrisch aangedreven voertuig
Motorvoertuig dat uitsluitend wordt aangedreven door een elektromotor waarvan de tractie-energie wordt geleverd door een in het motorvoertuig geïnstalleerde tractiebatterij (art. 1.1 Regeling voertuigen). Het woord uitsluitend is het onderscheid met de hybride. Voor het verkeer telt vooral dat zo’n voertuig bij lage snelheid vrijwel geruisloos is; daarom schrijft de regelgeving een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem voor.
- het erf
Een gebied dat begint bij bord G5 en eindigt bij G6. Er mag niet sneller dan 15 km per uur worden gereden, voetgangers mogen de hele breedte van de weg gebruiken en parkeren mag alleen op de daarvoor bestemde plaatsen.
- het exceptioneel transport
F
- het faalangstexamen
Variant van het examen voor wie last heeft van faalangst: meer tijd, een examinator met extra opleiding, ruimte om te pauzeren. De eisen aan het rijden zelf zijn niet lager — alleen de omstandigheden zijn anders.
- de fietsaanhangwagen
Niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een fiets te worden getrokken (art. 1.1 Regeling voertuigen). Vaak zit er een kind in. Voor jou als bestuurder betekent het: die fiets is twee keer zo lang als hij lijkt, de aanhanger is laag en valt buiten je spiegelbeeld, en je mag pas invoegen als je de aanhanger volledig voorbij bent.
- de fietsendrager
Lastdrager voor fietsen aan de achterzijde of op het dak. Bij vervoer aan de achterzijde moet de lastdrager deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag hij met de fietsen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten uitsteken. Schermt hij de verlichting af, dan moet de drager zelf twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers dragen, op niet meer dan 0,50 m van de grootste breedte; schermt hij de kentekenplaat af, dan hoort er een tweede plaat met hetzelfde kenteken op (Regeling voertuigen, art. 5.18.7).
- het fietspad
Zelfstandige weg voor fietsers, aangegeven met bord G11 (verplicht) of G13 (onverplicht). Bij G12a mogen ook bromfietsen erop.
- fietspad kruisen
- de fietsstraat
- de fietsstrook
- de fietssuggestiestrook
- de file
G
- de geblokte markering
Geblokte markering bij een bushalte. Stilstaan is er verboden, ook heel kort, zodat de bus bij de halte kan komen; ontbreekt de markering, dan geldt 12 meter vanaf het bord (art. 23 lid 1 e RVV).
- het gebodsbord
Rond blauw bord met een witte afbeelding, meestal uit hoofdstuk D van bijlage 1: verplichte rijrichting, gebod voor rotondeverkeer, verplicht fietspad. Het schrijft voor wat je moet doen. Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden (art. 62), dus een gebodsbord negeren is een overtreding, ook als het veilig lijkt.
- het geel licht
Stoppen, tenzij dat door de korte afstand niet meer veilig kan. Het is geen uitnodiging om te versnellen.
- de gehandicaptenparkeerplaats
Plek met bord E6, alleen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart; staat er een kenteken op het onderbord, dan geldt hij voor dat ene voertuig. Onterecht parkeren hoort tot de hoogste parkeerboetes en kan wegslepen betekenen.
- het gehandicaptenvoertuig
- de geldigheidsduur rijbewijs
- de gelede bus
- de geleider
- het gelijkwaardig kruispunt
- het geluidsniveau
- de geneesmiddelen
- de geslotenverklaring
- de gevaarherkenning
- de gevaarlijke stoffen
- de gevarendriehoek
- de Gezondheidsverklaring
- de gladheid
- de gordelplicht
- het groen licht
- de groene golf
- het grootlicht
H
- de haaientanden
Rij witte driehoeken op het wegdek, met de punt naar je toe: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Ze werken zelfstandig, ook zonder bord B6 erbij. Omdat ze de voorrang regelen, gaan verkeerslichten er wél boven.
- de handrem
De rem die het voertuig vasthoudt als het stilstaat. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt (Regeling voertuigen, art. 5.2.39). Bij parkeren op een helling zet je hem aan en laat je de auto bovendien in de versnelling of in de parkeerstand staan. Wegrijden met de handrem er nog op verbrandt de remvoering en kost remwerking juist wanneer je die nodig hebt. Een elektrische parkeerrem doet hetzelfde, maar met een knop.
- handsfree
Bellen of bedienen zonder het apparaat vast te houden. Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden; een mobiele telefoon, een tabletcomputer en een mediaspeler vallen daar in elk geval onder (art. 61a). De grens is dus het vasthouden, niet het gesprek, en het verbod geldt voor iedere bestuurder, ook op de fiets. Handsfree bellen blijft afleiden: je ogen kijken, je hoofd luistert.
- de handwijzer
Smalle, puntige wegwijzer voor fietsers en bromfietsers, in hoofdstuk K van bijlage 1 vastgelegd als bord K7. Op één arm staan een lokaal doel, een interlokaal doel en het fietsroutenummer, boven het stedelijke nummer en onder de interlokale nummers. De handwijzer hoort bij het fietsnetwerk en niet bij de autobewegwijzering: de kleuren en nummers zijn andere. Voor gestapelde fietsdoelen bestaat daarnaast bord K8.
- het nieuwe rijden
- het hoeklicht
- het hybride elektrisch voertuig
I
- de ijzel
Regen die op een koud wegdek meteen bevriest en een dunne, doorzichtige laag ijs vormt. Je ziet hem nauwelijks: het asfalt lijkt alleen nat en glimt iets meer. De grip valt bijna weg, dus geldt art. 19 in volle scherpte: stoppen binnen de afstand die je overziet lukt dan alleen door veel eerder te remmen. Bruggen, viaducten en schaduwplekken vriezen als eerste dicht.
- het informatiebord
Bord uit hoofdstuk L van bijlage 1, dat Informatie heet: het meldt hoe de weg verderop in elkaar zit zonder zelf iets te gebieden of te verbieden. Hieronder vallen onder meer de hoogte van een onderdoorgang, de bushalte en tramhalte, het einde van een rijstrook, de splitsing, de doodlopende weg, de verkeerstunnel, de vluchthaven, de noodtelefoon en de uitwijkplaats. Er zijn twee uitzonderingen die wel binden: bord L11 en bord L12 zeggen dat een verkeersbord alleen voor de aangegeven rijstrook of rijstroken geldt, en dat sluit aan op art. 65 lid 1. Verwar een informatiebord niet met een gebodsbord of verbodsbord, want alleen die laatste vallen onder de gehoorzaamheidsplicht van art. 62.
- de inhaalmanoeuvre
Links passeren van een voorligger. Vóór het uitsturen moet vaststaan dat de hele manoeuvre past: vrij zicht, ruimte om terug te komen, geen naderende tegenligger. Halverwege besluiten is te laat, want dan is er geen weg terug meer.
- het inhaalverbod
Verbod dat met bord F1 of F3 wordt opgelegd. F1 verbiedt motorvoertuigen elkaar ONDERLING in te halen; een fietser of een trekker inhalen mag dus wel.
- het inhaalverbodsbord
- het inhaalzicht
- inhalen
- het inrijverbod
- invoegen
- de invoegstrook
K
- de kade
De verharde oever langs water waar schepen kunnen aanleggen, en daarmee een weg met open water direct naast de rijbaan. Bijlage 1 geeft bord J26 de omschrijving kade of rivieroever: een waarschuwingsbord, geen verbod. Er is meestal geen vangrail en geen berm om op uit te wijken, dus de veiligheidsmarge is de breedte van de rijbaan zelf.
- de kampeerwagen
Voertuig met een vast ingericht woongedeelte: tafel, stoelen, slaapgelegenheid, kookvoorziening en opbergruimte moeten er vast in zitten (art. 1, via de Regeling voertuigen). Staat de kampeerwagen als bedrijfsauto op het kentekenbewijs en weegt hij meer dan 3500 kg, dan geldt 80 km per uur als bijzondere maximumsnelheid (art. 22).
- de kantstreep
De witte streep die de rand van de rijbaan markeert. Wat erbuiten ligt is berm of vluchtstrook en hoort niet bij de rijbaan: daar rijden, inhalen of file omzeilen mag niet. Een onderbroken kantstreep laat een uitrit of parkeerhaven door; een doorgetrokken kantstreep hoort bij de belijning van de weg en is geen uitnodiging om de berm te gebruiken.
- het karkas
Het dragende skelet van een band — de lagen koord onder het rubber die de vorm en de druk opvangen. De Regeling voertuigen is hier hard: banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is, en een band is ook af te keuren als in de bodem van een groef het karkas zichtbaar is (art. 5.2.27). Zichtbaar karkas betekent dat de band elk moment kan klappen; oppompen of doorrijden helpt niet.
- de katalysator
- het keerverbod
- het kentekenbewijs
- de kentekenplaat
- het kentekenregister
- keren
- het keuringsrapport
- het kinderzitje
- de klapstoel
- het knipperend geel licht
- de kogeldruk
- de koppeling
- het kruispunt
- de kwetsbare verkeersdeelnemer
L
- de laadpaal
Oplaadpunt voor elektrische auto’s. De plek ervoor is met bord E4 en onderbord voorbehouden aan opladende voertuigen; er staan zonder te laden is fout parkeren, ook als de auto elektrisch is.
- laden en lossen
Direct in- of uitladen van goederen die te zwaar of te omvangrijk zijn om te dragen. Zolang dat gebeurt, geldt een parkeerverbod niet als parkeren. Boodschappen halen of wachten valt er niet onder.
- de lading
Wat je vervoert. De bestuurder is er verantwoordelijk voor dat het niet kan verschuiven, vallen of het zicht belemmeren. Uitstekende lading wordt gemarkeerd; achter de auto mag ze maximaal een meter uitsteken.
- het landbouwvoertuig
Trekker of vergelijkbaar werktuig. Sinds 2021 heeft het een kenteken en een eigen rijbewijs T; de constructiesnelheid ligt bij 40 km/h. Op de autosnelweg en autoweg mag het niet komen.
- de lastdrager
- de lekkage
- het licht
- de lichtcontrole
- de ligplaats
- de lijkwagen
- de lijnbus
- de losliggende stenen
- de LPG-tank
- de luchtband
M
- het manoeuvreerlicht
Licht aan de zijkant van een motorvoertuig, dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting tijdens langzame manoeuvres (art. 1.1 Regeling voertuigen). Je mag het tegelijk met dimlicht of mistlicht voeren, maar alleen tot een snelheid van 10 km per uur (art. 41 lid 2). Rijd je harder, dan moet het uit.
- het markeringslicht
Licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven (art. 1.1 Regeling voertuigen). Het vult de breedte- en achterlichten aan bij grote voertuigen. Je mag het tegelijk met dimlicht of mistlicht voeren (art. 41 lid 2). Zie je die hoge lichtjes in de verte, dan nadert een breed voertuig.
- de massa in rijklare toestand
Voor voertuigen van de categorieën M en N: de massa van het voertuig met de brandstoftank of tanks gevuld tot ten minste 90% van de inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), brandstof en vloeistoffen, en van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant (art. 1.1 Regeling voertuigen). Het is dus geen lege auto: de bestuurder en de vloeistoffen zitten er al in. Wat je nog mag laden, is het verschil met de toegestane maximummassa.
- de massa ledig voertuig
Voor voertuigen van de categorieën M en N: de massa van het voertuig in rijklare toestand verminderd met 100 kg; voor voertuigen van categorie O is zij gelijk aan de massa in rijklare toestand (art. 1.1 Regeling voertuigen). Die 100 kg staan voor de bestuurder met bagage. Dit getal staat op het kentekenbewijs en is het vertrekpunt voor de vraag hoeveel je nog mag laden.
- de massieve band
- het matrixbord
- de maximumconstructiesnelheid
- de maximumsnelheid
- de mechanische koppelinrichting
- de middenasaanhangwagen
- de milieuzone
- de militaire colonne
- de mist
- het mistachterlicht
- de mistbank
- het mistlicht
- de mobiele machine
- de motorfiets
- de motorrem
- het motorrijtuig
- het motorrijtuig met beperkte snelheid
- het motorvoertuig
N
- de nacht
De periode tussen zonsondergang en zonsopgang (art. 1). Bij nacht is dimlicht verplicht (art. 32), en wie buiten de bebouwde kom stilstaat op de rijbaan, een parkeerhaven of een vluchtstrook voert stadslicht en achterlicht (art. 38). De nacht begint dus bij zonsondergang, niet wanneer het donker aanvoelt.
- het nat wegdek
Een nat wegdek verlengt de remweg fors: bij dezelfde snelheid heb je aanzienlijk meer meters nodig dan op droog asfalt.
- de navigatie
Het apparaat of de app die je de route wijst. Wordt daarvoor een telefoon of tablet gebruikt, dan geldt art. 61a onverkort: vasthouden tijdens het rijden mag niet, ook niet om even te kijken. Zet de route dus vóór vertrek klaar en gebruik een houder. Een navigatiestem is geen verkeersteken: weggebruikers moeten de tekens volgen die een gebod of verbod inhouden, en die gaan boven de verkeersregels (art. 62). Blijf dus lezen wat er langs de weg staat.
- het noodstopsignaal
Signaal om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat het voertuig sterk vertraagt, en dat wordt gegeven door de gelijktijdige werking van alle remlichten of richtingaanwijzers (art. 1.1 Regeling voertuigen). Het gaat vanzelf aan bij een noodstop. Zie je het voor je knipperen, dan remt die bestuurder veel harder dan normaal: houd afstand en rem mee.
- de noodtelefoon
- de nooduitgang
- de nul-emissiezone
O
- de omleiding
Tijdelijke route om een afgesloten wegvak heen. Bijlage 1 kent de omleiding als bord K9: een maatregel die op een voorwegwijzer langs een niet-autosnelweg wordt aangebracht. In de praktijk staat de route uit met gele borden die van kruispunt tot kruispunt doorlopen, en juist die keten is het punt: wie één bord mist, verliest de route. De gewone verkeersregels blijven gelden, en waar tijdelijke tekens op het wegdek liggen gaan die voor de vaste tekens (art. 63a).
- het omwisselen
Een buitenlands rijbewijs inwisselen voor een Nederlands, wat u bij de gemeente doet en niet bij de RDW. Een rijbewijs uit de EU of EVA mag u nog vijftien jaar na de afgiftedatum gebruiken voor de categorieën AM, A1, A2, A, B en BE, en korter voor de zware categorieën; een rijbewijs van buiten de EU en de EER mag nog 185 dagen nadat u hier woont. Een lopende aanvraag geeft geen rijbevoegdheid: is de termijn om, dan mag u niet rijden, ook al is uw aanvraag in behandeling. Kan omwisselen niet, dan blijft de route via het CBR met theorie-examen en praktijkexamen opnieuw.
- de ondeelbare lading
Lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt (art. 1.1 Regeling voertuigen). Denk aan een brugdeel, een windmolenwiek of een transformator. Alleen zulke lading rechtvaardigt exceptioneel transport met ontheffing en begeleiding; gewone stapelbare vracht doet dat niet.
- het onderbord
Rechthoekig bordje onder een verkeersbord. Het staat nooit op zichzelf: het beperkt het hoofdbord tot bepaalde voertuigcategorieën, dagen, uren of doelen, of maakt juist een uitzondering. Bij een parkeerverbod bepaalt het onderbord bijvoorbeeld op welke dagen en uren het verbod geldt (art. 24). Lees dus altijd eerst het bord en dan het bordje eronder.
- de onderbroken streep
- de onderdoorgang
- de onoverzichtelijke bocht
- het oogcontact
- de oplegger
- de opleggertrekker
- de oprit
- de opspatafscherming
- de optische en geluidssignalen
- de opvallende markering
- het overstekend wild
P
- de park-and-ride
Parkeergelegenheid ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer, aangeduid door bord E12 van bijlage 1. Het idee is dat u de auto aan de rand van de stad laat staan en met bus, tram, metro of trein verdergaat, waardoor de drukste kilometers wegvallen. Parkeren met een ander doel dan op het bord staat is verboden (art. 24 lid 1 onder d), dus het is geen gewone parkeerplaats voor wie in de buurt gaat winkelen. Een onderbord kan de werking tot bepaalde dagen of uren beperken (art. 24 lid 2).
- de parkeerhaven
Verharding langs de rijbaan die bestemd is voor stilstaande of geparkeerde voertuigen; het besluit noemt haar parkeerhaven of parkeerstrook (art. 1). Ze hoort niet bij de rijbaan, maar buiten de bebouwde kom moet je er bij nacht toch stadslicht en achterlicht voeren (art. 38). Verwar haar niet met de vluchtstrook: die is voor noodgevallen, niet om te parkeren.
- het parkeerlicht
Licht dat is bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven (art. 1.1 Regeling voertuigen). Sommige auto’s kunnen het aan één zijde voeren. Let op: wat de wet buiten de bebouwde kom bij nacht van een stilstaand motorvoertuig op de rijbaan eist, is stadslicht en achterlicht (art. 38), niet dit parkeerlicht.
- de parkeerschijf
Kaartje met een klok, zichtbaar achter de voorruit. Het toont wanneer je aankwam, niet wanneer je weggaat. Verzetten terwijl de auto staat mag niet: dat is hetzelfde als de tijd overschrijden.
- de parkeersensor
- het parkeerverbod
- parkeren
- de passagier
- de passeerbaan
- de passeerstrook
- de pedaalkracht
- de personenauto
- de poller
- het praktijkexamen
- het promillage
- het puntstuk
R
- RDW
De Dienst Wegverkeer: kentekens, APK-registratie, typegoedkeuring, en de uitgifte van het rijbewijsdocument via de gemeente. Het RDW gaat over voertuigen en documenten; het CBR over de bestuurder.
- de reactieafstand
De meters die je aflegt tussen het moment dat je het gevaar ziet en het moment dat je voet het rempedaal raakt. Groeit recht evenredig met de snelheid, want je reageert even lang maar legt in die tijd meer af.
- de reminrichting
Het samenstel van alles wat remt: pedaal, bekrachtiging, leidingen, slangen, cilinders, schijven of trommels en voeringen, plus de parkeerrem. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen aan de eisen van art. 5.2.31 voldoen — onder meer geen ernstig misvormde remslangen en geen ernstige corrosie aan remleiding of remschijf. Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag alleen in de gevallen van art. 5.1b.3 tot demontage worden overgegaan.
- de remleiding
De vaste leiding die remvloeistof onder druk van de hoofdremcilinder naar de wielen brengt. Zij loopt onder de auto langs en roest daardoor het eerst: is er sprake van corrosie aan de remleiding of remschijf, dan geldt de bijzondere beoordeling van art. 5.2.31. Kunststofremleidingen mogen bovendien geen knikken vertonen. Een lekke leiding betekent een pedaal dat wegzakt en remmen die het niet meer houden.
- het remlicht
- de remproef
- de remschijf
- de remslang
- de remtestinrichting
- de remtrommel
- de remvoering
- de remweg
- de retroreflector
- de richtingaanwijzer
- de rijbaan
- het rijbewijs
- het rijden zonder rijbewijs
- de rijp
- de rijproef
- de rijrichting
- de rijschool
- de rijstrook
- het rijstrookpaneel
- de rijstrookwisseling
- ritsen
- het rood licht
- de rotonde
- het routenummer
- ruimte maken
- de ruitenwisser
- de ruiter
- het ruiterpad
S
- de S-bocht
Twee tegengestelde bochten kort achter elkaar. Bord J4 waarschuwt voor een S-bocht die eerst naar rechts gaat, bord J5 voor een S-bocht die eerst naar links gaat; de eerste kromming op het bord geeft dus de richting van de eerste bocht. Praktisch betekent het dat er geen recht stuk tussen zit om te corrigeren: snelheid hoort eruit vóór de eerste bocht, niet ertussen. Waar een enkele bocht wordt bedoeld staan de borden J2 en J3.
- het samenstel
Een trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens, dat als één geheel wordt beoordeeld. Op een autosnelweg mag een samenstel dat met de lading langer is dan 7 meter op een rijbaan met drie of meer rijstroken alleen de twee meest rechtse stroken gebruiken (art. 43). Ook borden met een lengte- of massagrens gelden voor het samenstel, niet voor de auto alleen.
- het schadeformulier
Het Europese schadeformulier dat je na een aanrijding samen invult. De voorkant bevat de gezamenlijke feiten: plaats, tijd, kentekens, verzekeraars, schets en de aangekruiste toedracht; die kant ondertekenen beide bestuurders. Op de achterkant beschrijft ieder zijn eigen lezing, en die vult je alleen in. Ondertekenen is instemmen met de feiten, niet schuld bekennen. Vul het formulier ter plaatse in, want namen en kentekens achteraf achterhalen lukt zelden.
- het schadevoertuig
Voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een voertuig waarvan de dragende carrosseriedelen, de langsbalken van het chassis of een of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd, waarvan het dak is verwijderd, met ernstige brand- of waterschade, of waarvan het frame ernstig is beschadigd (art. 1.1 Regeling voertuigen). De opsomming gaat over de dragende constructie: een gedeukt spatbord maakt er nog geen schadevoertuig van, een geknikte langsbalk wel.
- de schemering
- de schokdemper
- de schorsing
- de schouderblik
- de slagboom
- de sleepkabel
- slepen
- de slijtage-indicator
- slippen
- de snelheidsbegrenzer
- het snelheidsbord
- de snorfiets
- de speed-pedelec
- de speling
- de spiegel
- de spitsstrook
- de splitsing
- de spookrijder
- de spoorwegovergang
- het staaklicht
- het stadslicht
- het stapelbord
- stapvoets
- stationair
- stilstaan
- de stopafstand
- de stopafstandberekening
- de stopstreep
- het stopteken
- de strooiwagen
- de stuurbekrachtiging
- de stuurinrichting
T
- de T100-bus
Autobus waarvan uit het kentekenbewijs of het kentekenregister blijkt dat hij zo is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 km per uur (art. 1). Gewone autobussen mogen 80 km per uur, de T100-bus 100 (art. 22). Trekt hij een aanhangwagen tot 3500 kg, dan valt hij terug op 90 km per uur (art. 22).
- het tankstation
Plaats waar je brandstof tankt of laadt. Langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel uit van de autosnelweg, en hetzelfde geldt langs een autoweg (art. 1). Dat is geen woordenspel: de verboden van art. 43 gelden op het terrein zelf niet, maar zodra je terugrijdt betreed je de autosnelweg opnieuw en moet je invoegen als ieder ander. Motor uit tijdens het tanken, en niet roken of bellen bij de pomp.
- de taxi
Voertuig met blauw kenteken en taxibordje. Onderborden met «uitgezonderd taxi» geven het toegang tot busbanen en halteplaatsen. Die uitzondering geldt alleen voor de taxi — een gewone auto erachter mag er niet in.
- de taxistandplaats
Parkeergelegenheid die uitsluitend voor taxi’s bestemd is, aangeduid door bord E5 van bijlage 1. Art. 24 lid 1 onder d verbiedt parkeren op een parkeergelegenheid met een voertuig dat niet tot de aangegeven categorie hoort of met een ander doel dan aangegeven; een gewone auto hoort er dus niet, ook niet kort. Staat er een onderbord met dagen of uren, dan geldt de aanduiding alleen dan (art. 24 lid 2). Zijn er parkeervakken aangebracht, dan mag alleen in die vakken worden geparkeerd (art. 24 lid 4).
- de technisch toegestane maximummassa
- de tegenligger
- het terreinvoertuig
- het theorie-examen
- de toegestane maximummassa
- het toerental
- de toeritdosering
- de trajectcontrole
- de tram
- de trambaan
- de tramhalte
- de tramvoorrang
- de transportbegeleider
- het trekdier
- het trottoir
- de tunnel
- de tussentijdse toets
- de tweesecondenregel
U
- de uitlaat
De leiding die verbrandingsgassen afvoert. Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten een uitlaatsysteem hebben dat over de gehele lengte gasdicht is, op de afwateringsgaatjes na, en het systeem moet deugdelijk zijn bevestigd; auto’s zonder geregistreerde geluidswaarde mogen bij de uitmonding niet meer dan 95 dB(A) kunnen produceren (Regeling voertuigen, art. 5.2.11). Een lek laat koolmonoxide binnen, en een luide sportuitlaat botst ook op art. 57: geen onnodig geluid.
- de uitrijstrook
Strook waarop je snelheid mindert nadat je de doorgaande rijbaan hebt verlaten. Afremmen doe je hier, niet op de rijbaan zelf.
- de uitrit
Plaats waar je vanaf een erf, parkeerterrein of oprit de weg oprijdt. Dat is een bijzondere manoeuvre, dus je moet ál het overige verkeer voor laten gaan.
- de uitvaartstoet
Rij voertuigen die samen naar een begrafenis rijden, herkenbaar aan verlichting overdag en soms aan vlaggetjes. Net als een colonne wordt de stoet niet onderbroken; de stoet zelf krijgt daarmee geen voorrang bij borden of lichten.
- uitvoegen
- de uitwijkplaats
V
- het vee
Landbouwhuisdieren die over of langs de weg worden gedreven. Bord J28 waarschuwt voor vee op de weg; bord C1, bord C2 en bord C9 sluiten vee samen met ruiters en geleiders uit. Art. 51 lid 1 verbiedt rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen, dus er hoort altijd een geleider bij. Kom rustig tot stilstand en laat de kudde passeren: toeteren of ertussendoor rijden drijft de dieren uit elkaar, en dan staat de weg pas echt vol.
- de veerpont
Overzetveer voor voertuigen. Aan boord zet je de motor af en de handrem aan. Bij het aan- en van boord gaan volg je de aanwijzingen van de bemanning; die gaan hier boven de gewone voorrangsregels, net als een verkeersregelaar.
- het veersysteem
Het geheel van veren, draagarmen en rubbers dat het wiel met de carrosserie verbindt en oneffenheden opvangt. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem (art. 5.2.28). Onderdelen van het veersysteem mogen, behoudens water, geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen (art. 5.2.11a). Een slecht veersysteem laat het wiel na een kuil van de weg af komen, en juist dan is er geen remkracht en geen stuurkracht.
- de veiligheidscel
Onderdeel van de constructie van een bromfiets, motorfiets of driewielig motorvoertuig dat bestuurder of passagiers tegen hoofdletsel beschermt (art. 1). Bij een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type vervalt de helmplicht voor de zitplaats die door zo’n cel wordt beschermd én van een autogordel is voorzien — maar alleen als die gordel ook echt om gaat (art. 60 lid 2).
- het veiligheidshesje
- de velg
- de venstertijd
- de verblinding
- het verbodsbord
- het verdrijvingsvlak
- de vergunninghouder
- het verkeer
- de verkeersbrigadier
- de verkeersdrempel
- het verkeerslicht
- de verkeersmaatregel
- het verkeersongeval
- de verkeersregelaar
- het verkeersteken
- het verlicht transparant
- de vermoeidheid
- de vertraging
- de verzorgingsplaats
- de vluchtheuvel
- de vluchtstrook
- het vluchtstrookrijden
- het voertuig
- de voetganger
- het voetgangersgebied
- de voetgangersoversteekplaats
- het voetpad
- voor laten gaan
- het voor rolstoelen toegankelijk voertuig
- de vooraanduiding
- voorrang verlenen
- het voorrangsbord
- het voorrangskruispunt
- het voorrangsvoertuig
- de voorrangsweg
- de voorruit
- het voorsorteervak
- voorsorteren
- de voorwegwijzer
- de voorziening voor indirect zicht
- de vrachtauto
- de vrachtwagen
- de vulaansluiting
W
- de WA-verzekering
Wettelijk verplichte aansprakelijkheidsverzekering. Ze hangt aan het kenteken, niet aan de bestuurder: staat het voertuig op naam, dan moet het verzekerd zijn, ook als het stilstaat. Schorsen van het kenteken heft die plicht op.
- het waarschuwingsbord
Driehoekig bord met rode rand uit hoofdstuk J van bijlage 1: J17 rijbaanversmalling, J20 slipgevaar, J29 tegenliggers, J38 verkeersdrempel en zo verder. Het waarschuwt voor gevaar verderop, maar bevat zelf geen gebod of verbod — je snelheid moet je aanpassen omdat je de weg vrij moet kunnen overzien, niet omdat het bord het voorschrijft.
- het waarschuwingslampje
Symbool op het dashboard. Rood betekent: nu stoppen — oliedruk, koelwater, remmen, accu. Geel of oranje betekent: doorrijden kan, maar laat het nakijken. Groen en blauw zijn geen waarschuwing maar een melding.
- de wachttijd
De tijd die je stilstaat voor een overweg, een beweegbare brug, een verkeerslicht of een file. Waar je die tijd doorbrengt, is geen kwestie van geduld maar van regel: weggebruikers mogen een overweg alleen opgaan als zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken, en zij laten een spoorvoertuig voorgaan met de overweg vrij (art. 15a). Dezelfde gedachte geldt op een kruispunt: bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren (art. 14). Wachten doe je dus ervóór, niet erop.
- de wagen
- het weefvak
- het wegdek
- de wegenbelasting
- de weggebruiker
- de wegmarkering
- de wegsleepregeling
- de wegversmalling
- de wegwerkzaamheden
- de wegwijzer
- het werklicht
- het werkverkeer
- de wielbasis
- de wijkwegwijzer
- de winterbanden
Z
- het zebrapad
Oversteekplaats met witte strepen. Je laat voetgangers die oversteken én die duidelijk op het punt staan over te steken voorgaan. Inhalen vlak vóór een zebrapad is verboden: de ingehaalde auto neemt het zicht weg.
- het zicht
Het deel van de weg dat je kunt overzien. Art. 19 koppelt je snelheid daaraan: je moet kunnen stoppen binnen wat je ziet én wat vrij is.
- het zijmarkeringslicht
Licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt (art. 1.1 Regeling voertuigen). Lange voertuigen en aanhangwagens hebben ze op de flank. Ze zijn belangrijk op kruispunten en bij overwegen: een dwars staande oplegger is van voren en van achteren onverlicht, en juist deze lichten verraden dan zijn lengte.
- de zijruit
De ruit in een portier of zijkant van de opbouw. De wet behandelt niet alle zijruiten gelijk: art. 5.2.42 noemt naast de voorruit uitdrukkelijk de zijruiten naast de bestuurderszitplaats, en juist die mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Achterruiten en zijruiten daarachter mogen wel donker zijn. Vandaar dat getinte folie achterin is toegestaan en voorin niet.
- de zijspanwagen
- de zijweg
- de zijwind
- de zitbank
- de zitplaats
- de zomerbanden
- de zone
- het zwaailicht