Woordenlijst
De Nederlandse termen uit de wet, met lidwoord, uitspraak en waarmee ze verward worden.
A
- de aanhangwagen[ˈaːnhɑŋʋaːɣə(n)]
Voertuig zonder eigen aandrijving achter een auto. Met rijbewijs B mag het samenstel tot 3500 kg; boven die grens is BE of B96 nodig. Achter een aanhanger geldt buiten de bebouwde kom een lagere maximumsnelheid dan zonder.
- de aanwijzing[ˈaːnʋɛizɪŋ]
Een mondeling of met gebaren gegeven opdracht van iemand die daartoe bevoegd én als zodanig kenbaar is: een bevoegd ambtenaar, de Koninklijke Marechaussee of een verkeersregelaar. Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens én verkeersregels — dat is de hoogste trede die de wet kent.
- ABS[aː beː ˈɛs]
Antiblokkeersysteem: het houdt de wielen tijdens hard remmen draaiend, zodat je kunt blijven sturen. Het pedaal trilt dan — dat is het systeem, geen defect, en je houdt het pedaal juist ingedrukt. ABS verkort de remweg niet altijd; op grind of los zand kan die langer worden.
- achteruitrijden[ˌɑxtərˈœytrɛidə(n)]
Naar achteren rijden. Een bijzondere manoeuvre: al het overige verkeer gaat voor, en je zicht naar achteren is per definitie beperkt.
- de adviessnelheid[ɑtˈvisnɛlhɛit]
Snelheid op een blauw rechthoekig bord, meestal in een bocht. Ze is geen wettelijk maximum en levert dus geen boete op, maar ze is bepaald voor natte omstandigheden en een gemiddelde auto — sneller gaan is een keuze die je zelf verantwoordt.
- de afleiding[ˈɑflɛidɪŋ]
Alles wat de aandacht van de weg haalt. Een telefoon vasthouden tijdens het rijden is verboden — ook op de fiets en ook als je stilstaat voor rood, want je bent dan nog steeds bestuurder. Handsfree mag, maar bellen kost hoe dan ook aandacht.
- de afrit[ˈɑfrɪt]
De weg waarlangs je de autosnelweg verlaat. Remmen doe je op de uitrijstrook, niet op de doorgaande rijbaan.
- afslaan[ˈɑfslaːn]
Van richting veranderen op een kruispunt. Rechtsaf let je vooral op fietsers rechts van je; linksaf laat je het tegemoetkomende verkeer voorgaan.
- afstand houden[ˈɑfstɑnt ˈhʌudə(n)]
Genoeg ruimte laten tot je voorganger om te kunnen stoppen. De wet noemt geen aantal meters; de maat is of je binnen het overzienbare deel tot stilstand komt.
- de alarmlichten[aːˈlɑrmlɪxtə(n)]
Alle richtingaanwijzers tegelijk. Bedoeld om anderen voor gevaar te waarschuwen: bij pech, bij het naderen van een file, of bij een ongeval. Niet bedoeld om even fout te mogen stilstaan.
- het alcoholslot[ˌɑlkoːˈɦɔlslɔt]
Blaastest die aan het contact gekoppeld is: boven de ingestelde waarde start de motor niet. In Nederland is het verplichte programma na een uitspraak van de Raad van State in 2015 gestopt; het apparaat komt nog voor als vrijwillige of buitenlandse maatregel.
- de ambulance[ˈɑmbylɑnsə]
Voorrangsvoertuig met blauw zwaailicht en sirene. Je maakt ruimte, maar niet ten koste van anderen: door rood rijden of de stoep op om plaats te maken blijft een overtreding en levert een gevaarlijke situatie op.
- de APK[aːpeːˈkaː]
Algemene Periodieke Keuring. Benzine en elektrisch voor het eerst bij 4 jaar, diesel en gas bij 3 jaar; daarna volgens schema. De leeftijd rekent vanaf de datum eerste toelating.
- het aquaplaning[ˈaːkʋaːpleːnɪŋ]
De band verliest contact met het wegdek doordat er een laag water tussen komt. Sturen en remmen hebben dan geen effect. Gas loslaten en rechtuit blijven is het enige dat helpt.
- de autogordel[ˈʌutoːɣɔrdəl]
Bestuurder en passagiers gebruiken de beschikbare gordel. Wie jonger is dan 18 én korter dan 1,35 m hoort in een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.
- de autosnelweg[ˈʌutoːsnɛlʋɛx]
Weg die begint bij bord G1 en eindigt bij G2. Wettelijk geldt hier 130 km per uur volgens art. 21, maar op vrijwel het hele net staat overdag een bord 100 — en het bord gaat vóór de standaard.
- de autoweg[ˈʌutoːʋɛx]
Weg tussen bord G3 en G4. De standaardsnelheid is 100 km per uur. Een autoweg heeft niet altijd gescheiden rijbanen en kan gelijkvloerse kruisingen hebben — daarin verschilt hij wezenlijk van de autosnelweg.
B
- het bandenprofiel[ˈbɑndə(n)proːfil]
De groeven in het loopvlak. Wettelijk minimum 1,6 mm in de hoofdgroeven, over de gehele omtrek, slijtage-indicatoren niet meegerekend.
- de bandenspanning[ˈbɑndə(n)spɑnɪŋ]
De druk in de banden. Te lage spanning maakt de auto onrustig in de bocht, verlengt de remweg, verhoogt het verbruik en laat de band aan de randen slijten. Controleren doe je op koude banden.
- de bebording[bəˈboːrdɪŋ]
Het geheel van borden langs een weg. Een bord werkt vanaf de plek waar het staat; heb je het gemist, dan geldt het toch. Herhaling na een kruispunt is gebruikelijk maar niet altijd verplicht.
- de bebouwde kom[bəˈbʌudə ˈkɔm]
Het gebied tussen bord H1 en bord H2. De grens is juridisch, niet visueel: hij begint en eindigt bij het bord, niet waar de huizen ophouden. Binnen de kom geldt standaard 50 km per uur voor motorvoertuigen.
- de bedrijfsauto[bəˈdrɛifsʌutoː]
Motorvoertuig voor goederenvervoer. Blijft het onder 3500 kg, dan gelden de regels van de personenauto; erboven die van de vrachtauto.
- de begeleiderspas[bəˈɣeːlɛidərspɑs]
Pas met de namen van je coaches, afgegeven door de RDW aan wie op zijn zeventiende zijn rijbewijs B haalt. Zonder pas mag je tot je achttiende niet rijden.
- de beginnend bestuurder[bəˈɣɪnənt bəˈstyːrdər]
Wie nog in de beginnersperiode zit, geldt een alcoholgrens van 0,2 in plaats van 0,5 promille. Die periode duurt zeven jaar als je eerste rijbewijs AM of T was en je toen nog geen achttien was, en vijf jaar als je eerste rijbewijs werd afgegeven toen je al achttien was.
- de berm[bɛrm]
De onverharde strook naast de rijbaan. Rijden mag er niet; stilstaan bij pech soms wel, maar de grond kan zacht zijn.
- het bermongeval[ˈbɛrmɔnɣəvɑl]
Ongeval waarbij een wiel in de zachte berm zakt. De reflex om meteen terug te sturen is de fout: het hoogteverschil grijpt de band en gooit de auto de andere kant op. Rustig gas los, rechtdoor, dan pas terug.
- de bestuurder[bəˈstyːrdər]
Iedereen die een voertuig bestuurt. Niet alleen de automobilist: ook de fietser, de bromfietser en de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig zijn bestuurder. Wie loopt is geen bestuurder, maar wel weggebruiker.
- de beweegbare brug[bəˈʋeːxbaːrə brʏx]
Brug die opengaat voor scheepvaart. Rood licht en een slagboom betekenen stoppen vóór de streep; doorrijden bij knipperend rood is even ernstig als bij een spoorwegovergang. Het brugdek is bij regen glad.
- de bijzondere manoeuvre[bɛiˈzɔndərə maːˈnœːvrə]
Wegrijden, achteruitrijden, keren, van rijstrook wisselen, een uitrit oprijden, invoegen en uitvoegen. Wie zo'n manoeuvre uitvoert, laat ál het overige verkeer voorgaan.
- de blauwe zone[ˈblɑuʋə ˈzoːnə]
Gebied met blauwe streep langs de stoeprand waar je alleen met een parkeerschijf mag staan. De schijf zet je op het tijdstip van aankomst, naar boven afgerond op het halve uur. Parkeren is er gratis, maar niet vrij.
- de blokmarkering[ˈblɔkmɑrkeːrɪŋ]
Geblokte markering bij een bushalte. Stilstaan is er verboden, ook heel kort, zodat de bus bij de halte kan komen.
- de bocht[bɔxt]
Kromming in de weg. Snelheid minder je vóór de bocht; remmen in de bocht zelf kost grip en kan het voertuig laten uitbreken.
- de boete[ˈbuːtə]
Geldstraf voor een verkeersovertreding. De meeste gaan buiten de rechter om via de Wet Mulder: het CJIB stuurt de beschikking naar de kentekenhouder. Bezwaar maken kan, maar de termijn is kort.
- de bromfiets[ˈbrɔmfits]
Lichte tweewieler met motor, herkenbaar aan de gele kentekenplaat. Op de rijbaan 45 km per uur, op het fiets/bromfietspad 30 binnen en 40 buiten de bebouwde kom. Een helm is verplicht. Rijbewijs AM vanaf 16 jaar.
- de brommobiel[ˈbrɔmoːbil]
Overdekt voertuig op vier wielen met bromfietskenmerken: maximaal 45 km/h, rijbewijs AM, blauw kenteken. Het rijdt op de rijbaan, niet op het fietspad, en mag niet op de autosnelweg of autoweg.
- bumperkleven[ˈbʏmpərkleːvə(n)]
Te dicht op de voorligger rijden. Artikel 19 RVV eist dat je op tijd kunt stoppen; de tweeseconderegel is de vuistregel, bij nat wegdek vier. Het is een zelfstandige overtreding, niet een kwestie van rijstijl.
- de busbaanoversteek[ˈbʏsbaːnoːvərsteːk]
Plek waar de rijbaan een busbaan kruist. Kruisen mag als het bord het niet verbiedt; erop rijden of erlangs rijden mag niet. De bus komt vaak sneller dan verwacht, omdat hij niet in de file staat.
- de bushalte[ˈbʏshɑltə]
Plaats waar de bus stopt, met een gele onderbroken streep langs de kant. Binnen de bebouwde kom moet je een bus die wegrijdt en richting aangeeft, laten voorgaan. Stilstaan op de gele streep mag niet.
- de busstrook[ˈbʏstroːk]
Rijstrook die uitsluitend voor lijnbussen is bestemd, aangegeven met bord F13. Erop rijden, erop stilstaan of hem gebruiken om in te halen mag geen van drieën.
C
D
- de daling[ˈdaːlɪŋ]
Weggedeelte dat omlaag loopt. De zwaartekracht werkt mee met je snelheid, dus de remweg wordt langer. Op een lange daling schakel je terug en laat je de motor het werk doen; aanhoudend remmen maakt de remmen heet, en hete remmen grijpen slechter.
- de dode hoek[ˈdoːdə ˈɦuk]
Het gebied rond het voertuig dat je niet ziet, niet rechtstreeks en niet in de spiegels. Bij vrachtauto\u2019s is die zone zo groot dat een fietser er volledig in past.
- het doorgaand verkeer[ˈdoːrɣaːnt vərˈkeːr]
Verkeer dat een gebied alleen passeert zonder er een bestemming te hebben. Een onderbord «uitgezonderd bestemmingsverkeer» sluit precies dit verkeer uit: wie er moet zijn mag door, wie er doorheen wil niet.
- de doorgetrokken streep[ˈdoːrɣətrɔkə(n) streːp]
Ononderbroken witte streep op het wegdek. Je mag hem niet overschrijden en er ook niet op rijden.
E
- de eerste hulp[ˈeːrstə hʏlp]
Wat je doet vóór de hulpdiensten er zijn: eigen veiligheid eerst, 112 bellen, slachtoffer niet verplaatsen tenzij er direct gevaar is. De helm van een motorrijder blijft op, tenzij hij niet ademt.
- het erf[ɛrf]
Een gebied dat begint bij bord G5 en eindigt bij G6. Er mag alleen stapvoets worden gereden, voetgangers mogen de hele breedte van de weg gebruiken en parkeren mag alleen op de daarvoor bestemde plaatsen.
- het exceptioneel transport[ɛksɛpʃoːˈneːl trɑnsˈpɔrt]
Transport dat de wettelijke maten of massa overschrijdt. Het rijdt met ontheffing van de RDW, over een vastgelegde route en vaak met begeleiding. Inhalen doe je hier niet: het voertuig heeft de volle breedte nodig in bochten.
F
- het faalangstexamen[ˈfaːlɑŋstɛksaːmə(n)]
Variant van het examen voor wie last heeft van faalangst: meer tijd, een examinator met extra opleiding, ruimte om te pauzeren. De eisen aan het rijden zelf zijn niet lager — alleen de omstandigheden zijn anders.
- het fietspad[ˈfitspɑt]
Zelfstandige weg voor fietsers, aangegeven met bord G11 (verplicht) of G13 (onverplicht). Bij G12a mogen ook bromfietsen erop.
- fietspad kruisen[ˈfitspɑt ˈkrœysə(n)]
Sla je rechtsaf over een fietspad, dan kruis je het pad van iemand die rechtdoor gaat. Rechtdoor gaat voor afslaand verkeer.
- de fietsstraat[ˈfitsstraːt]
Straat met rood wegdek waar de fietser het beeld bepaalt en de auto te gast is. Juridisch is het een gewone weg: inhalen van fietsers is er ongewenst, maar de voorrang volgt de normale regels en borden.
- de fietsstrook[ˈfitsstroːk]
Strook op de rijbaan zelf, aangegeven met fietssymbool en meestal een onderbroken of doorgetrokken streep. Anders dan een fietspad blijft het onderdeel van de rijbaan.
- de file[ˈfilə]
Stilstaand of langzaam rijdend verkeer. Houd ook hier afstand: kop-staartbotsingen in de file zijn de meest voorkomende aanrijdingen.
G
- het geel licht[ɣeːl lɪxt]
Stoppen, tenzij dat door de korte afstand niet meer veilig kan. Het is geen uitnodiging om te versnellen.
- de gehandicaptenparkeerplaats[ɣəhɑndiˈkɑptə(n)pɑrˈkeːrplaːts]
Plek met bord E6, alleen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart; staat er een kenteken op het onderbord, dan geldt hij voor dat ene voertuig. Onterecht parkeren hoort tot de hoogste parkeerboetes en kan wegslepen betekenen.
- de geldigheidsduur rijbewijs[ɣɛldəxhɛitsdyːr ˈrɛibəʋɛis]
Een Nederlands rijbewijs voor categorie B is tien jaar geldig. Vanaf 75 jaar wordt de termijn korter en is een medische keuring nodig; ook daarvóór kan een gezondheidsverklaring om een keuring vragen. De vervaldatum staat op de kaart zelf.
- het gelijkwaardig kruispunt[ɣəlɛikˈʋaːrdəx ˈkrœyspʏnt]
Kruispunt waar geen borden en geen haaientanden de voorrang regelen. Dan geldt de algemene regel: bestuurders van rechts gaan voor.
- de geneesmiddelen[ɣəˈneːsmɪdələ(n)]
Ook receptmedicijnen vallen onder het verbod van art. 8, eerste lid, als je weet of moet weten dat ze de rijvaardigheid verminderen. Op de verpakking staat vaak een gele waarschuwingssticker.
- de gevaarherkenning[ɣəˈvaːrhɛrkɛnɪŋ]
Onderdeel van het theorie-examen waarin je bij een foto kiest tussen remmen, gas loslaten of niets doen. Het toetst je oordeel, niet je geheugen.
- de gevaarlijke stoffen[ɣəˈvaːrlələkə ˈstɔfə(n)]
Lading die bij een ongeval extra risico geeft. Het oranje bord achterop draagt boven het gevaarsnummer en onder het stofnummer. Bij een ongeval blijf je bovenwinds en op afstand, en meld je beide nummers aan 112.
- de gevarendriehoek[ɣəˈvaːrə(n)driːhuk]
Reflecterende driehoek die je bij pech achter het voertuig plaatst, ruim genoeg zodat het verkeer op tijd kan remmen — op de snelweg tientallen meters. Je draagt daarbij een veiligheidsvest en staat achter de vangrail.
- de Gezondheidsverklaring[ɣəˈzɔnthɛitsfərˌklaːrɪŋ]
Formulier waarmee het CBR beoordeelt of je lichamelijk en geestelijk geschikt bent om te rijden. Zonder deze verklaring gaat het praktijkexamen niet door.
- de gladheid[ˈɣlɑthɛit]
Verminderde grip door regen, ijzel, sneeuw, bladeren of olie. Het gevaarlijkst is de eerste bui na droogte: dan drijft vuil op het water en is de weg gladder dan bij aanhoudende regen.
- de gordelplicht[ˈɣɔrdəlplɪxt]
De gordel is verplicht op elke zitplaats waar er een is, ook achterin. Voor kinderen tot twaalf jaar is de bestuurder aansprakelijk; vanaf twaalf jaar is de passagier dat zelf.
- het groen licht[ɣruːn lɪxt]
Je mag doorrijden. Het licht heft alleen voorrangstekens op; een verbodsbord of een snelheidsbord blijft gewoon gelden.
- de groene golf[ˈɣruːnə ɣɔlf]
Reeks verkeerslichten die op elkaar zijn afgestemd. Een bordje noemt de snelheid waarbij je ze achter elkaar groen treft. Harder rijden loont niet: je staat dan bij het volgende licht juist stil.
- het grootlicht[ˈɣroːtlɪxt]
Verlichting die ver vooruit schijnt. Je dimt zodra je een tegenligger nadert of dicht achter een voorligger komt — verblinding werkt ook via de spiegel. In mist, sneeuw en zware regen kaatst groot licht terug en maakt het zicht juist slechter.
H
- de haaientanden[ˈhaːjəntɑndə(n)]
Rij witte driehoeken op het wegdek, met de punt naar je toe: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Ze werken zelfstandig, ook zonder bord B6 erbij. Omdat ze de voorrang regelen, gaan verkeerslichten er wél boven.
- het nieuwe rijden[ət ˈniuʋə ˈrɛidə(n)]
Vroeg opschakelen, gelijkmatig rijden, ver vooruitkijken en op de motor uitrollen in plaats van remmen. Het bespaart brandstof, maar het onderliggende vermogen is hetzelfde als bij gevaarherkenning: eerder zien wat komt.
I
- de inhaalmanoeuvre[ˈɪnhaːlmaːnœːvrə]
Links passeren van een voorligger. Vóór het uitsturen moet vaststaan dat de hele manoeuvre past: vrij zicht, ruimte om terug te komen, geen naderende tegenligger. Halverwege besluiten is te laat, want dan is er geen weg terug meer.
- het inhaalverbod[ˈɪnhaːlvərˌbɔt]
Verbod dat met bord F1 of F3 wordt opgelegd. F1 verbiedt motorvoertuigen elkaar ONDERLING in te halen; een fietser of een trekker inhalen mag dus wel.
- het inhaalverbodsbord[ˈɪnhaːlvərbɔtsbɔrt]
Bord F1 verbiedt inhalen voor alle motorvoertuigen, F3 alleen voor vrachtauto’s; F2 en F4 heffen ze weer op. Het verbod geldt voor motorvoertuigen — een fietser mag je er dus wel voorbij, mits het veilig kan.
- het inhaalzicht[ˈɪnhaːlzɪxt]
De afstand die vrij moet zijn vóór je aan inhalen begint. Ze bestaat uit je eigen inhaalweg plus de weg die de tegenligger in dezelfde tijd aflegt — samen bijna het dubbele van wat je intuïtief inschat. Twijfel je, dan is het antwoord nee.
- inhalen[ˈɪnˌhaːlə(n)]
Voorbijrijden aan een voertuig dat dezelfde kant op rijdt. Verboden waar bord F1 staat, en verboden voor vrachtauto\u2019s waar F3 staat.
- het inrijverbod[ˈɪnrɛivərbɔt]
Bord C2: van deze kant mag je er niet in. Van de andere kant staat dan C3 of C4 en is de weg wel open. Het bord verbiedt de inrit, niet de weg zelf — dat is precies waarom eenrichtingsverkeer twee verschillende borden nodig heeft.
- invoegen[ˈɪnvuɣə(n)]
Van de invoegstrook de rijbaan op rijden. De invoeger verleent voorrang aan het verkeer op de rijbaan; die hoeft niet te remmen of uit te wijken. Snelheid aanpassen op de invoegstrook, niet erna.
- de invoegstrook[ˈɪnvuxstroːk]
De strook waarop je vaart maakt om in te voegen. Hij is bedoeld om je snelheid gelijk te trekken met het verkeer op de rijbaan; wie er te langzaam op rijdt, dwingt anderen te remmen.
K
- het kentekenbewijs[ˈkɛntəkə(n)bəˌʋɛis]
Bewijs dat het voertuig op naam staat, tegenwoordig als kentekencard. Hoort bij de documenten die je op eerste vordering ter inzage moet afgeven.
- de kentekenplaat[ˈkɛntəkə(n)plaːt]
Plaat met het kenteken. Bij tweewielers zegt de kleur meteen om welke categorie het gaat: geel bij de bromfiets, blauw bij de snorfiets.
- keren[ˈkeːrə(n)]
Omkeren om de andere kant op te rijden. Een bijzondere manoeuvre, dus je laat ál het overige verkeer voorgaan; bord F7 kan het verbieden.
- het kinderzitje[ˈkɪndərzɪtjə]
Goedgekeurd zitje voor kinderen kleiner dan 1,35 meter. De grens is de lengte, niet de leeftijd. Een kinderzitje tegen de rijrichting in mag niet op een stoel met een ingeschakelde airbag ervoor.
- het knipperend geel licht[ˈknɪpərənt ɣeːl lɪxt]
Het licht regelt het kruispunt niet meer. Wat er dan geldt, lees je aan de borden en aan de haaientanden — en anders geldt de algemene regel.
- het kruispunt[ˈkrœyspʏnt]
Plaats waar wegen elkaar kruisen of samenkomen. Een uitrit is géén kruispunt — daar gelden andere regels, en dat verschil bepaalt wie voor moet laten gaan.
- de kwetsbare verkeersdeelnemer[ˈkʋɛtsbaːrə vərˈkeːrsdeːlneːmər]
Voetgangers, fietsers, kinderen en ouderen: weggebruikers zonder carrosserie om zich heen. Bij gevaarherkenning draait het bijna altijd om hen.
L
- de laadpaal[ˈlaːtpaːl]
Oplaadpunt voor elektrische auto’s. De plek ervoor is met bord E4 en onderbord voorbehouden aan opladende voertuigen; er staan zonder te laden is fout parkeren, ook als de auto elektrisch is.
- laden en lossen[ˈlaːdə(n) ɛn ˈlɔsə(n)]
Direct in- of uitladen van goederen die te zwaar of te omvangrijk zijn om te dragen. Zolang dat gebeurt, geldt een parkeerverbod niet als parkeren. Boodschappen halen of wachten valt er niet onder.
- de lading[ˈlaːdɪŋ]
Wat je vervoert. De bestuurder is er verantwoordelijk voor dat het niet kan verschuiven, vallen of het zicht belemmeren. Uitstekende lading wordt gemarkeerd; achter de auto mag ze maximaal een meter uitsteken.
- het landbouwvoertuig[ˈlɑntbʌuvurtœyx]
Trekker of vergelijkbaar werktuig. Sinds 2021 heeft het een kenteken en een eigen rijbewijs T; de constructiesnelheid ligt bij 40 km/h. Op de autosnelweg en autoweg mag het niet komen.
- de lichtcontrole[ˈlɪxtkɔntroːlə]
Rondje langs alle lampen: dimlicht, groot licht, stadslicht, remlicht, achterlicht, richtingaanwijzers, kentekenverlichting, mistlicht. Een defect achterlicht ziet de bestuurder zelf nooit — daarom is de controle maandelijks nuttig en bij de APK verplicht.
M
- het matrixbord[ˈmaːtrɪksbɔrt]
Elektronisch bord boven de rijstrook. Het geldt alleen voor de strook waarboven het hangt en gaat vóór op de vaste borden langs de weg, want het reageert op wat er nú op de weg gebeurt.
- de milieuzone[miliˈøːzɔːnə]
Gebied waar alleen voertuigen mogen rijden die aan emissie-eisen voldoen, aangegeven met bord C22e. Welke eisen precies gelden, staat op het onderbord — zonder dat paneel zegt het bord niets concreets.
- de militaire colonne[miliˈtɛːrə koːˈlɔnə]
Groep voertuigen met blauwe vlag voorop en groene achteraan. De colonne geldt als één geheel: je rijdt er niet tussen en je onderbreekt hem niet, ook niet bij een kruispunt waar jij voorrang zou hebben.
- de mist[mɪst]
Zicht onder de 200 meter. Mistlicht achter mag pas als het zicht minder dan 50 meter is — daarboven verblindt het de achterligger. Groot licht werkt in mist averechts: het licht kaatst terug.
- de motorrem[ˈmoːtɔrɛm]
Afremmen door gas los te laten in een lage versnelling. Op een lange daling houdt het de snelheid constant zonder de remmen warm te laten lopen; warme remmen verliezen kracht.
- het motorrijtuig[ˈmoːtɔrɛiˌtœyx]
Een voertuig met een motor, bestemd om over land te rijden. Auto, motorfiets en bromfiets vallen eronder; een fiets zonder trapondersteuning niet. Zegt de wet «motorrijtuig», dan blijft de fietser er dus buiten.
N
O
- de onderbroken streep[ˈɔndərbroːkə(n) streːp]
Streep met tussenruimtes. Overschrijden mag, mits het veilig kan.
- de onoverzichtelijke bocht[ˌɔnoːvərˈzɪxtələkə bɔxt]
Bocht waarin je niet ziet wat erachter ligt. Art. 19 bindt je snelheid aan wat je overziet, dus juist hier is het bord niet de maat maar je zicht.
- de oprit[ˈɔprɪt]
De weg waarlangs je de autosnelweg opgaat. Aan het einde ligt de invoegstrook; het doorgaande verkeer gaat voor.
- de optische en geluidssignalen[ˈɔptisə ɛn ɣəˈlœytsɪɣnaːlə(n)]
Een voertuig is pas voorrangsvoertuig als het blauw zwaailicht én een tweetonige hoorn voert. Alleen zwaailicht betekent «ik werk hier» en geeft geen voorrang; alleen sirene komt in de praktijk niet voor. Geel zwaailicht geeft nooit voorrang.
- het overstekend wild[ˈoːvərsteːkənt ʋɪlt]
Dieren die de weg oversteken, aangegeven met bord J27. Ze lopen in groepen: één dier betekent dat er meer komen. Uitwijken is gevaarlijker dan remmen — een botsing met een boom of tegenligger loopt slechter af.
P
- de parkeerschijf[pɑrˈkeːrsxɛif]
Kaartje met een klok, zichtbaar achter de voorruit. Het toont wanneer je aankwam, niet wanneer je weggaat. Verzetten terwijl de auto staat mag niet: dat is hetzelfde als de tijd overschrijden.
- het parkeerverbod[pɑrˈkeːrvərbɔt]
Bord E1 of een gele onderbroken streep langs de stoeprand. Parkeren mag er niet; kort stilstaan om iemand te laten in- of uitstappen of om te laden en lossen mag nog wel. Een doorgetrokken gele streep verbiedt ook dat.
- parkeren[pɑrˈkeːrə(n)]
Stilstaan langer dan nodig is voor het onmiddellijk in- en uitstappen of laden en lossen. Wachten op iemand die nog moet komen is dus parkeren.
- de passagier[pɑsaːˈʒir]
Wie meerijdt zonder te besturen. Passagiers gebruiken de beschikbare gordel, en er mogen er niet meer zijn dan er gordels zijn.
- het praktijkexamen[prɑkˈtɛikɛksaːmə(n)]
Rijexamen bij het CBR, ongeveer 55 minuten met een examinator. Naast rijden onder aanwijzing hoort er zelfstandig rijden bij: navigeren op eigen inzicht of naar een routeaanwijzing. Het theoriecertificaat moet geldig zijn.
R
- RDW[ɛr deː ˈʋeː]
De Dienst Wegverkeer: kentekens, APK-registratie, typegoedkeuring, en de uitgifte van het rijbewijsdocument via de gemeente. Het RDW gaat over voertuigen en documenten; het CBR over de bestuurder.
- de reactieafstand[reˈɑk(t)siˌɑfstɑnt]
De meters die je aflegt tussen het moment dat je het gevaar ziet en het moment dat je voet het rempedaal raakt. Groeit recht evenredig met de snelheid, want je reageert even lang maar legt in die tijd meer af.
- het remlicht[ˈrɛmlɪxt]
Rood licht dat aangaat zodra je remt. Het is het enige signaal waarmee je achterliggers waarschuwt; werkt het niet, dan zien ze je vertraging pas als het te laat is.
- de remweg[ˈrɛmʋɛx]
De meters vanaf het moment dat de remmen pakken tot het voertuig stilstaat. Groeit met het kwadraat van de snelheid, omdat de bewegingsenergie zelf kwadratisch groeit.
- de richtingaanwijzer[ˈrɪxtɪŋaːnʋɛizər]
Knipperlicht dat je voornemen aankondigt. Het geeft je geen voorrang: aankondigen is niet hetzelfde als mogen. Je moet je er ook echt aan houden, anders misleid je de anderen.
- de rijbaan[ˈrɛiˌbaːn]
Het deel van de weg dat bestemd is voor rijdend verkeer, als geheel. Een rijbaan kan uit meerdere rijstroken bestaan; een weg kan uit meerdere rijbanen bestaan, gescheiden door een middenberm.
- het rijbewijs[ˈrɛibəˌʋɛis]
Document dat het recht geeft een motorrijtuig van bepaalde categorieën te besturen. Het staat in de lijst van art. 160 en moet op eerste vordering ter inzage worden gegeven.
- het rijden zonder rijbewijs[ˈrɛidə(n) ˈzɔndər ˈrɛibəʋɛis]
Twee verschillende zaken. Het rijbewijs thuis laten liggen is een lichte overtreding: je kunt het achteraf tonen. Helemaal geen geldig rijbewijs hebben is zwaar — de verzekering dekt dan bovendien de schade niet, en dat treft ook de tegenpartij.
- de rijschool[ˈrɛisxoːl]
Bedrijf dat rijles geeft. De instructeur moet een geldig WRM-certificaat hebben; zonder dat is de les niet rechtsgeldig. Het certificaat is te controleren bij het IBKI, en dat is de moeite waard vóór je betaalt.
- de rijstrook[ˈrɛiˌstroːk]
Een enkele strook binnen de rijbaan, breed genoeg voor één rij voertuigen en meestal gemarkeerd door strepen. Verkeersborden kunnen tot één rijstrook beperkt worden — dan hangt het bord boven die strook.
- de rijstrookwisseling[ˈrɛistroːkʋɪsəlɪŋ]
Bijzondere manoeuvre uit artikel 54: je laat het overige verkeer voorgaan. De volgorde is spiegels, richting aangeven, schouderblik, dan pas sturen — het knipperlicht kondigt aan, het geeft geen recht.
- ritsen[ˈrɪtsə(n)]
Om en om invoegen bij een rijstrookvermindering, zo laat mogelijk bij de versmalling. Artikel 43, derde lid RVV verplicht bestuurders op de doorgaande strook de ritsers te laten invoegen.
- de rotonde[roːˈtɔndə]
Rondgaand kruispunt met eenrichtingsverkeer tegen de klok in. Wie voorrang heeft, staat op de borden en de haaientanden bij de toerit — het is geen eigenschap van de rotonde zelf. Bij het verlaten geef je richting aan.
- ruimte maken[ˈrœymtə ˈmaːkə(n)]
Voor een voorrangsvoertuig ga je opzij zonder gevaarlijke manoeuvres. Een noodstop midden op het kruispunt helpt niemand.
S
- de schorsing[ˈsxɔrsɪŋ]
Tijdelijk stilzetten van het kenteken bij het RDW. Zolang de schorsing loopt, vervallen de plicht tot verzekeren, wegenbelasting en APK — maar het voertuig mag dan niet op de openbare weg staan.
- de schouderblik[ˈsxʌudərblɪk]
Kort omkijken over je schouder vóór je van rijstrook verandert. Spiegels dekken de dode hoek niet; de schouderblik is het enige dat dat wel doet. Op het praktijkexamen wordt hij expliciet beoordeeld.
- de snorfiets[ˈsnɔrfits]
Tweewieler met motor die niet harder mag dan 25 km per uur, herkenbaar aan de blauwe kentekenplaat. Juridisch een andere categorie dan de bromfiets, met een eigen snelheid en een eigen plaats op de weg.
- de spiegel[ˈspiɣəl]
Binnenspiegel en twee buitenspiegels. Samen dekken ze het beeld achter je, maar niet de dode hoek. Bolle spiegels laten meer zien en maken alles kleiner, waardoor auto’s verder weg lijken dan ze zijn.
- de spitsstrook[ˈspɪtsstroːk]
Extra rijstrook die alleen open is als er een groene pijl boven staat. Bij een rood kruis is hij dicht en mag je er niet rijden, ook niet als hij leeg is. De pechstrook is dan geen vluchtstrook meer.
- de spoorwegovergang[ˈspoːrʋɛxˌoːvərɣɑŋ]
Plaats waar de weg het spoor kruist. Rijd er pas op als je zeker weet dat je er ook af kunt; stilstaan op de overweg is levensgevaarlijk en verboden.
- stapvoets[ˈstɑpvuts]
Niet sneller rijden dan een wandelaar loopt. De wet noemt geen getal; in de praktijk komt het neer op ongeveer 15 km per uur. Geldt onder meer op een erf.
- stilstaan[ˈstɪlstaːn]
Het voertuig laten stilstaan, hoe kort ook. Elke parkeerhandeling is stilstaan, maar niet elk stilstaan is parkeren.
- de stopafstand[ˈstɔpˌɑfstɑnt]
Reactieafstand plus remweg. Dit is de afstand die er op de weg werkelijk toe doet, en de enige die art. 19 bedoelt als het zegt dat je binnen het overzienbare deel tot stilstand moet kunnen komen.
- de stopafstandberekening[ˈstɔpɑfstɑntbərɛːkənɪŋ]
Vuistregel: neem de snelheid in tientallen. Reactieafstand is dat getal maal drie, remweg is het kwadraat ervan; samen de stopafstand. Bij 80 km/h: 8×3 = 24 plus 8×8 = 64, samen 88 meter. De tabel op deze site geeft voor 80 km/h 53 meter droog en 72 meter nat. Het verschil is opzet: de vuistregel rekent met een zwakke vertraging en rondt naar boven af, zodat hij ook bij nat wegdek en een matige band nog klopt. Gebruik hem om in het hoofd te schatten, en de tabel om te begrijpen waar het getal vandaan komt. Wat in beide gevallen geldt: verdubbel de snelheid en de remweg wordt vier keer zo lang, want die groeit met het kwadraat. De reactieafstand groeit alleen recht evenredig.
- de stopstreep[ˈstɔpstreːp]
Brede witte streep dwars over de rijbaan waar je moet stoppen. Ze hoort bij bord B7 of bij een verkeerslicht en geeft aan tot waar je mag komen.
T
- de taxi[ˈtɑksi]
Voertuig met blauw kenteken en taxibordje. Onderborden met «uitgezonderd taxi» geven het toegang tot busbanen en halteplaatsen. Die uitzondering geldt alleen voor de taxi — een gewone auto erachter mag er niet in.
- de tegenligger[ˈteːɣə(n)lɪɣər]
Voertuig dat je tegemoet komt. Wie linksaf slaat, laat de tegenligger voorgaan: die rijdt rechtdoor en heeft daarom voorrang. Bij verblinding kijk je naar de rechterkant van de weg, niet naar de koplampen.
- het theorie-examen[teːjoːˈri ɛksaːmə(n)]
Het examen over regels, verkeersinzicht en gevaarherkenning. De uitslag is anderhalf jaar geldig — niet één jaar, zoals vaak wordt gedacht.
- de toeritdosering[ˈtuːrɪtdoːzeːrɪŋ]
Verkeerslicht op de oprit dat auto’s één voor één toelaat. Rood betekent hier echt rood: doorrijden verstoort precies datgene wat de dosering moet voorkomen — het vastlopen van de doorgaande rijbaan.
- de trajectcontrole[traːˈʒɛktkɔntroːlə]
Snelheidsmeting over een afstand: de tijd tussen twee portalen bepaalt de gemiddelde snelheid. Even afremmen bij de camera helpt dus niet — het gemiddelde over het hele traject telt.
- de tram[trɛm]
Railvoertuig dat de weg deelt of kruist. Een tram remt veel trager dan een auto en kan niet uitwijken; daarom krijgt hij in veel situaties voorrang.
- de tramvoorrang[ˈtrɑmvoːrɑŋ]
Op gelijkwaardige kruispunten heeft de tram voorrang op al het andere verkeer, ook als hij van links komt. De reden is fysiek: een tram kan niet uitwijken en heeft een remweg die met geen auto te vergelijken is.
- het trottoir[trɔˈtʋaːr]
Verhoogd deel van de weg langs de rijbaan, bestemd voor voetgangers. Erop parkeren mag alleen waar bord E8b staat.
- de tunnel[ˈtʏnəl]
Overdekt weggedeelte. Dimlicht is verplicht, ook overdag. Stilstaan mag niet; bij pech zet je alarmlichten aan en verlaat je het voertuig via de dichtstbijzijnde vluchtdeur. Inhalen is meestal verboden en met bord aangegeven.
- de tussentijdse toets[ˌtʏsə(n)ˈtɛitsə tuts]
Proefrit bij het CBR halverwege de opleiding, met dezelfde examinator-standaard maar zonder uitslag «geslaagd». Mag vanaf 16,5 jaar.
- de tweesecondenregel[tʋeːseːˈkɔndə(n)reːɣəl]
Manier om afstand te meten: als de voorligger een paal passeert, tel je twee seconden; kom je er eerder langs, dan rijd je te dicht. Bij nat wegdek verdubbel je naar vier. De regel werkt bij elke snelheid, want de afstand groeit vanzelf mee.
U
- de uitrijstrook[ˈœytrɛistroːk]
Strook waarop je snelheid mindert nadat je de doorgaande rijbaan hebt verlaten. Afremmen doe je hier, niet op de rijbaan zelf.
- de uitrit[ˈœytrɪt]
Plaats waar je vanaf een erf, parkeerterrein of oprit de weg oprijdt. Dat is een bijzondere manoeuvre, dus je moet ál het overige verkeer voor laten gaan.
- de uitvaartstoet[ˈœytfaːrtstut]
Rij voertuigen die samen naar een begrafenis rijden, herkenbaar aan verlichting overdag en soms aan vlaggetjes. Net als een colonne wordt de stoet niet onderbroken; de stoet zelf krijgt daarmee geen voorrang bij borden of lichten.
- uitvoegen[ˈœytvuɣə(n)]
De rijbaan verlaten via de uitvoegstrook. Snelheid minder je pas op de uitvoegstrook: remmen op de rechterrijstrook dwingt het verkeer achter je tot remmen op volle snelheid.
V
- de veerpont[ˈveːrpɔnt]
Overzetveer voor voertuigen. Aan boord zet je de motor af en de handrem aan. Bij het aan- en van boord gaan volg je de aanwijzingen van de bemanning; die gaan hier boven de gewone voorrangsregels, net als een verkeersregelaar.
- het veiligheidshesje[ˈvɛiləxhɛitshɛʃə]
Fluorescerend hesje. In Nederland niet wettelijk verplicht in de auto, maar bij pech op de snelweg is het het verschil tussen gezien en niet gezien worden. In veel buurlanden is het wél verplicht.
- de verblinding[vərˈblɪndɪŋ]
Tijdelijk zichtverlies door fel licht. De reactie is niet knijpen of remmen, maar snelheid minderen en langs de rechterkant van de weg kijken: daar staat de belijning die je koers houdt terwijl je ogen zich herstellen.
- het verkeerslicht[vərˈkeːrslɪxt]
Lichtsignaal dat het verkeer regelt. Het gaat boven verkeerstekens die de voorrang regelen, maar niet boven een verbodsbord of een snelheidsbord.
- het verkeersongeval[vərˈkeːrsɔnɣəvɑl]
Botsing of aanrijding op de weg. Doorrijden na een ongeval met letsel is een misdrijf, geen overtreding. Bij alleen blikschade wissel je gegevens uit en vul je het schadeformulier in; de politie komt daar niet standaard voor.
- de verkeersregelaar[vərˈkeːrsreːɣəlaːr]
Persoon die het verkeer met gebaren regelt. Zijn aanwijzing gaat boven verkeerstekens én verkeersregels, mits hij daartoe bevoegd en als zodanig kenbaar is.
- het verkeersteken[vərˈkeːrsteːkə(n)]
Verzamelbegrip voor verkeersborden, verkeerslichten én tekens op het wegdek. Hoofdstuk III van het RVV behandelt ze samen. Verkeerstekens gaan boven de verkeersregels, voor zover die regels onverenigbaar zijn met deze tekens.
- de vermoeidheid[vərˈmuithɛit]
Verminderde alertheid en tragere reactie. Koffie, muziek en een open raam stellen het moment uit maar lossen niets op; alleen slaap helpt. Bij vermoeidheid groeit vooral de reactieafstand.
- de vertraging[vərˈtraːɣɪŋ]
Hoe snel je snelheid afneemt bij remmen, in meter per seconde in het kwadraat. Op droog asfalt hoger dan op nat; daarom is de remweg bij nat wegdek langer bij dezelfde snelheid.
- de vluchtheuvel[ˈvlʏxtˌhøːvəl]
Verhoging midden op de rijbaan waarop voetgangers kunnen wachten. Voor bestuurders is het een obstakel; bord D2 of D3 zegt aan welke kant je erlangs mag.
- de vluchtstrook[ˈvlʏxtstroːk]
Strook langs de autosnelweg voor pech en hulpdiensten. Stilstaan mag daar alleen bij noodzaak, en dan met stadslicht en achterlicht bij nacht of slecht zicht.
- het vluchtstrookrijden[ˈvlʏxtstroːkrɛidə(n)]
Rijden over de vluchtstrook om een file te omzeilen. Het is verboden en het blokkeert de enige route van hulpdiensten. Uitzondering: een groene pijl boven de strook, want dan is het tijdelijk een rijstrook.
- het voertuig[ˈvurtœyx]
Het overkoepelende begrip. Een fiets is een voertuig, een wagen is een voertuig, een auto is een voertuig. Staat er in de wet «voertuig», dan geldt de regel dus ook voor fietsers.
- de voetganger[ˈvutxɑŋər]
Wie zich te voet verplaatst. Wie een fiets of bromfiets aan de hand meeneemt, geldt ook als voetganger en niet als bestuurder.
- het voetgangersgebied[ˈvutɣɑŋərsɣəbit]
Gebied met bord G7 waar alleen voetgangers mogen komen. Een onderbord kan uitzonderingen maken voor bevoorrading binnen bepaalde uren. Fietsen en brommen is er verboden tenzij het onderbord het toestaat.
- de voetgangersoversteekplaats[ˈvutxɑŋərsˌoːvərsteːkplaːts]
Met witte banen gemarkeerde oversteekplaats. Bestuurders moeten voetgangers die oversteken of duidelijk op het punt staan over te steken, voor laten gaan.
- voor laten gaan[voːr ˈlaːtə(n) ɣaːn]
De verplichting van wie een bijzondere manoeuvre uitvoert: wegrijden, achteruitrijden, keren, van rijstrook wisselen, een uitrit oprijden. Dan moet je ál het overige verkeer voor laten gaan — ook fietsers en voetgangers, en ongeacht van welke kant zij komen.
- voorrang verlenen[ˈvoːrɑŋ vərˈleːnə(n)]
De ander ongehinderd laten doorrijden op een kruispunt. Het gaat om voorrang tussen bestuurders die elkaar op een kruising tegenkomen, en het wordt geregeld door borden, haaientanden of de algemene regel.
- het voorrangskruispunt[ˈvoːrɑŋskrœyspʏnt]
Kruispunt waar de voorrang geregeld is met borden B1–B7, haaientanden of een verkeerslicht. Ontbreekt dat alles, dan is het kruispunt gelijkwaardig en geldt rechts voor. Een verkeersregelaar gaat boven alles.
- het voorrangsvoertuig[ˈvoːrɑŋsfurtœyx]
Een voertuig met zowel blauw zwaailicht als tweetonige hoorn. Alleen die combinatie geeft voorrang; alleen zwaailicht zonder sirene doet dat niet.
- de voorrangsweg[ˈvoːrɑŋsʋɛx]
Weg met bord B1, waarop bestuurders op alle kruisende wegen voorrang moeten verlenen. Geldt tot bord B2, niet tot het volgende kruispunt.
- het voorsorteervak[ˈvoːrsɔrteːrvɑk]
Rijstrook met een pijl op het wegdek. De pijl is een verkeersteken: sta je erin, dan moet je die richting op. Van vak wisselen na de doorgetrokken streep mag niet, ook niet als je je vergist hebt.
- voorsorteren[ˈvoːrsɔrteːrə(n)]
Tijdig de rijstrook kiezen die bij je richting hoort. Het wisselen zelf is een bijzondere manoeuvre, dus daarbij laat je het overige verkeer voor gaan.
- de vrachtauto[ˈvrɑxtʌutoː]
Motorvoertuig voor goederenvervoer met een toegestane maximum massa boven 3500 kg. Kent een bijzondere maximumsnelheid van 80 km per uur, ook op de autosnelweg.
W
- de WA-verzekering[ʋeː aː vərˈzeːkərɪŋ]
Wettelijk verplichte aansprakelijkheidsverzekering. Ze hangt aan het kenteken, niet aan de bestuurder: staat het voertuig op naam, dan moet het verzekerd zijn, ook als het stilstaat. Schorsen van het kenteken heft die plicht op.
- het waarschuwingslampje[ˈʋaːrsxʏʋɪŋslɑmpjə]
Symbool op het dashboard. Rood betekent: nu stoppen — oliedruk, koelwater, remmen, accu. Geel of oranje betekent: doorrijden kan, maar laat het nakijken. Groen en blauw zijn geen waarschuwing maar een melding.
- de weggebruiker[ˈʋɛɣəbrœykər]
De ruimste categorie: iedereen die zich op de weg bevindt. Voetgangers, fietsers, automobilisten, ruiters en geleiders van vee vallen er allemaal onder. Elke bestuurder is een weggebruiker; niet elke weggebruiker is een bestuurder.
- de wegsleepregeling[ˈʋɛxsleːprəɣeːlɪŋ]
Bevoegdheid van de gemeente om een fout geparkeerd voertuig weg te slepen. De sleepkosten en de stallingskosten per dag komen bovenop de boete; het voertuig krijg je pas terug als alles betaald is.
- de wegwerkzaamheden[ˈʋɛxʋɛrksaːmheːdə(n)]
Werk aan de weg. Gele strepen gaan vóór op witte: staat er geel, dan bestaat de witte belijning voor jou niet. Tijdelijke borden gaan vóór op vaste borden.
- het werkverkeer[ˈʋɛrkfərkeːr]
Voertuigen die op of aan de weg werken: strooiwagens, veegwagens, wegenbouw. Ze voeren geel zwaailicht. Dat waarschuwt alleen — het geeft geen voorrang, maar het betekent wel dat het voertuig onverwacht kan stoppen of uitwijken.
Z
- het zebrapad[ˈzeːbraːpɑt]
Oversteekplaats met witte strepen. Je laat voetgangers die oversteken én die duidelijk op het punt staan over te steken voorgaan. Inhalen vlak vóór een zebrapad is verboden: de ingehaalde auto neemt het zicht weg.
- het zicht[zɪxt]
Het deel van de weg dat je kunt overzien. Art. 19 koppelt je snelheid daaraan: je moet kunnen stoppen binnen wat je ziet én wat vrij is.
- de zijwind[ˈzɛiʋɪnt]
Wind dwars op de rijrichting. Het gevaarlijkste moment is de overgang: uit de luwte van een viaduct of een vrachtauto komt de wind ineens terug en duwt de auto opzij. Stuur licht vasthouden en snelheid minderen.
- de zone[ˈzɔːnə]
Gebied waarin een regel geldt, aangegeven met het woord «zone» boven het bord. Anders dan een gewoon bord geldt een zonebord voor het hele gebied erachter en eindigt het pas bij het bijbehorende eindebord.
- het zwaailicht[ˈzʋaːilɪxt]
Blauw of geel draaiend licht. Blauw zwaailicht geeft alleen samen met de tweetonige hoorn voorrang; geel waarschuwt maar geeft nooit voorrang.