Het theorie-examen is geen gesprek en geen opstel. Het is een rij vragen met een klok ernaast, en de klok wacht niet. Wie de vorm van tevoren kent, verliest er geen seconde aan en houdt zijn hoofd vrij voor waar het werkelijk om gaat: de verkeerssituatie op het scherm.
Deze les gaat daarom niet over verkeersregels maar over het examen zelf. Hoeveel vragen, hoeveel tijd, welke vraagvormen bestaan er, hoe je een vraag leest, in welke taal je hem krijgt, wat je aanmelding en je uitslag betekenen, en hoe je die dertig minuten indeelt. De regels zelf staan in de andere lessen van de route; hier staat het kader waarin je ze moet toepassen.
De cijfers waar alles op rust
| Onderdeel | Waarde |
|---|---|
| Vragen | 50 |
| Tijd | 30 minuten |
| Grens categorie B | 44 goed |
| Grens categorie AM | 43 goed |
| Grens categorie A | 41 goed |
| Tijd met verruiming | 45 minuten |
De 50 vragen, de 30 minuten en de grens van 44 heeft het CBR gepubliceerd voor categorie B, de personenauto. Voor AM en A rekent onze oefening met een grens van 43 en 41 bij hetzelfde aantal vragen en dezelfde tijd: dat zijn de grenzen van onze oefening.
Alle vragen tellen mee: de grens wordt geteld over dezelfde vragen die op je scherm verschijnen.
Voor de personenauto ligt de lat op 44 van de 50. Dat betekent dat je 6 fouten mag maken en geen zevende. Het is een strenge grens, en hij is met opzet zo gelegd: hij is opnieuw berekend door het onderzoeksinstituut RCEC samen met de politie, VVN, SWOV, OTCRij en KRV, met als uitgangspunt dat het vernieuwde examen niet makkelijker en niet moeilijker mocht worden dan het oude.
De ruimere tijd van 45 minuten is geen gunst die je kunt vragen omdat je langzaam leest. Hij hoort bij drie situaties: een examen met extra tijd, een examen met een tolk, en een individueel begeleid examen. Wat die varianten kosten staat verderop.
Wat er op 7 april 2025 is veranderd
Sinds 7 april 2025 is het examen voor de personenauto, categorie B, één doorlopend geheel met één uitslag. Dat is een echte breuk met de opzet die er daarvoor was, en oude oefenboeken en oude verhalen van kennissen kloppen dus niet meer.
Vóór die datum bestond het examen uit 65 vragen in 3 delen, elk met een eigen grens: gevaarherkenning met 25 vragen en een grens van 13, kennis met 12 vragen en een grens van 10, en inzicht met 28 vragen en een grens van 25. Je kon slagen voor twee delen en toch zakken op het derde.
Die verdeling bestaat niet meer. Er is geen apart deel gevaarherkenning met een fototest; het CBR heeft dat deel in die vorm afgeschaft. Het herkennen van gevaar is daarmee niet uit het examen verdwenen — het is verhuisd naar de gewone vragen. Op de plaats van de fototest zijn korte animaties zonder geluid gekomen: een filmpje van een paar seconden met een realistische verkeerssituatie, waarna je moet zeggen wat er gaat gebeuren of wat jij zou moeten doen.
Onthoud dus vooral dit: één blok, één uitslag, en gevaarherkenning zit overal tussendoor in plaats van in een apart hoofdstuk.
De vormen van de vragen
Het examen kent een handvol vraagvormen. Ze zijn alle even zwaar — er zijn geen bonuspunten voor een moeilijkere vorm.
- Ja/nee. Een stelling of een situatie, en jij zegt of het klopt. Twee knoppen, geen tussenweg.
- Meerkeuze. Eén juist antwoord uit 2 tot 4 mogelijkheden. Let op: het zijn er niet altijd vier. Een vraag met maar twee antwoorden ziet er argeloos uit en is dat niet.
- Meerdere juiste antwoorden. Je moet ze alle aanvinken. Een half aangevinkte vraag is fout, ook als alles wat je aanvinkte klopte. Dit is de vorm waarop de meeste punten weglekken.
- Een getal invullen. Geen keuzelijst, jij typt de waarde. Deze vorm komt zelden voor — reken op ongeveer 1 of 2 op de 50.
- Korte animatie. Een geluidloos filmpje van een situatie, met daarna een vraag over wat er volgt.
Het CBR kent nog drie vormen: de sleepvraag, waarin je een volgorde in de afbeelding zet, de single-sleepvraag, waarin je één vinkje in de afbeelding sleept, en de hotspotvraag, waarin je op een plek in de afbeelding tikt. Die drie zitten nog niet in onze oefening: daar staan de vier vormen hierboven en de animatie. Van de 25 voorbeelden die het CBR publiceert zijn er vijf uitgewerkt, en daarin kwamen slepen en tikken niet voor; vijf voorbeelden zijn geen volledige lijst, dus reken erop dat je zo'n vraag kunt tegenkomen. Krijg je er een, dan is de inhoud dezelfde als die je hier geoefend hebt; alleen je vinger doet iets anders.
Hoe je een examenvraag leest
Het CBR publiceert 25 voorbeeldvragen, en wij hebben er 5 helemaal uit elkaar gehaald. Daaruit komen vier dingen die je vooraf moet weten.
De vraag staat ín de afbeelding. Niet ernaast, niet eronder. Je leest dus niet eerst een tekst en bekijkt daarna een plaatje: het plaatje is de vraag. Wie gewend is aan boeken met losse tekstvragen, verliest hier tijd met zoeken.
De witte auto ben jij. Op de afbeelding staat een witte auto, en de vraag gaat altijd over wat de bestuurder daarvan moet doen. «Mag je hier inhalen?» betekent: mag jij het, vanuit die auto, op dat moment.
Het aantal antwoorden wisselt. Voorbeeld 9 had er 2, over de vraag of een paaltje met een witte reflector links of rechts van je hoort te staan.
Een getal is een getal, geen zin. Voorbeeld 20 vroeg een snelheid, en het antwoord luidde 15 kilometer per uur. Voorbeeld 25 was een animatie waarop het juiste antwoord de fiets was.
Het CBR zegt er zelf bij dat deze voorbeelden alleen om te oefenen zijn en dat het echte examen ervan kan afwijken. Ze zijn dus een ondergrens van wat je kunt tegenkomen, geen volledige lijst.
Valkuilen in de formulering
De meeste fouten van goed voorbereide kandidaten zijn geen kennisfouten maar leesfouten. Vier daarvan komen steeds terug.
Mag tegenover moet. «Mag je hier keren?» vraagt of iets is toegestaan. «Moet je hier stoppen?» vraagt of iets verplicht is. Tussen die twee zit een heel gebied van dingen die je mag maar niet hoeft. Wie de vraag beantwoordt die hij verwachtte in plaats van de vraag die er staat, valt hier om.
Ontkenningen. «Welke bestuurder hoeft géén voorrang te verlenen?» draait het juiste antwoord om. Lees zulke vragen twee keer: eerst de zin, dan het woordje dat hem omkeert.
Het onderwerp van de zin. In de wet is een bestuurder niet hetzelfde als een automobilist: een fietser is ook bestuurder, een voetganger niet. Zo zijn ook voertuig en motorrijtuig verschillende woorden, en hangt het van het woord in het artikel af of een regel op een fiets slaat. Ook voorrang verlenen en voor laten gaan lijken op elkaar en zijn twee verschillende plichten.
Bijna-goede antwoorden. Een afleider is meestal een antwoord dat in een andere situatie wél zou kloppen. Vraag jezelf dus niet «is dit waar?» maar «is dit waar hier, op deze afbeelding, voor deze bestuurder?».
De taal van het examen
Het examen bestaat in het Nederlands en in het Engels. Russisch en Oekraïens bestaan niet als examentaal; daarvoor is er alleen de variant met een tolk.
| Variant | Tarief CBR |
|---|---|
| Nederlands | € 50,50 |
| Engels | € 57,00 |
| Met extra tijd | € 64,00 |
| Met tolk of individuele begeleiding | € 118,50 |
De toeslag voor het Engels is € 6,50 en geldt alleen bij de personenauto. Extra tijd kost € 13,50 boven op het basistarief; heb je een dyslexieverklaring, dan vraag je dat bedrag binnen 14 dagen na het examen terug via Mijn CBR, en daarna niet meer.
Het bedrag van € 118,50 is een volledig tarief en geen toeslag. De tolk zelf zit er niet in: die zoek en betaal je apart. Een tolk vertaalt bovendien woorden, geen rechtsbegrippen — het examen blijft over Nederlandse begrippen gaan. De afweging tussen de varianten staat in in welke taal je theorie doet.
Aanmelden, leeftijd en je identiteitsbewijs
Theorie voor de personenauto mag vanaf 16 jaar, voor de bromfiets vanaf 15,5 jaar en voor de motor vanaf 17 jaar. Reserveren mag eerder dan meedoen: een theorie-examen boek je tot 20 weken vóór je de leeftijd bereikt, maar op de dag zelf moet je hem hebben.
Kies je datum en tijdstip bewust. Een examen vanaf 18:00 uur of in het weekend kost € 6,25 extra. Zeg je af of verzet je de datum, dan houdt het CBR bij een theorie-examen € 12,70 administratiekosten in — vervelend, maar nog altijd veel goedkoper dan een examen dat je niet gaat halen.
Neem een geldig identiteitsbewijs mee. De plicht om je te legitimeren komt niet uit de wegenverkeerswet maar uit de Wet op de uitgebreide identificatieplicht en geldt vanaf 14 jaar; het document moet origineel en geldig zijn.
Na het examen
Je uitslag is 18 maanden geldig. Het Reglement rijbewijzen schrijft het letterlijk als «een jaar en zes maanden», en wie met een jaar rekent, plant zijn praktijkexamen onnodig krap.
Zak je, dan mag je je opnieuw inschrijven. Wel kost elk nieuw examen weer het volle tarief, terwijl het verzetten van een datum dat niet doet. Twijfel je of je er klaar voor bent, dan is uitstellen dus goedkoper dan doorzetten — hoe je die beslissing neemt staat in de laatste week voor het examen.
De hele route na de theorie, met leeftijden, bedragen en de Gezondheidsverklaring, staat in van nul tot rijbewijs.
De klok: hoe je de tijd verdeelt
30 minuten voor 50 vragen komt neer op 36 seconden per vraag. De klok telt 1800 seconden af, en die rekensom is het hele geheim van de tijdsindeling. Met de verruiming naar 45 minuten wordt het 54 seconden.
In 36 seconden kun je een situatie herkennen. Je kunt er geen regel in afleiden, geen artikel in terugzoeken en geen twijfel in uitpraten. Daarom oefen je niet «tot het goede antwoord» maar tot herkenning: je moet de situatie al kennen voordat je hem helemaal gelezen hebt.
Praktisch: lees de vraag één keer goed, kijk waar de witte auto staat, bepaal wat er in die situatie geldt en kies. Blijf je hangen, dan kost dat de tijd van twee andere vragen. Je mag 6 fouten maken; bij 7 ben je gezakt, en fouten door tijdgebrek aan het eind tellen even zwaar als fouten door onwetendheid.
Hoe onze oefening het examen nabootst
Het proefexamen op de examenpagina draait op precies dezelfde cijfers: 50 vragen, 30 minuten, grens 44. Het is er niet om je kennis te meten maar om het tempo te laten wennen, dus doe het in één keer uit, zonder pauze en zonder opzoeken.
Onder de vraag staan bij ons de knoppen «Vorige», «Volgende» en «Markeren»: een vraag waar je over twijfelt markeer je, je gaat door en aan het eind kom je erop terug. Zo is onze pagina gebouwd; over hoe het scherm bij het CBR eruitziet zeggen wij hier niets.
De verhouding van de vraagvormen stellen wij zelf samen, zo dat geen enkele vorm buiten je oefening valt: meerkeuze 62 %, ja/nee 14 %, meerdere juiste antwoorden 14 %, een getal invullen 10 %. Dat zijn onze streefcijfers voor de hele vragenbank en geen gemeten verhouding van het examen. Minstens 30 % van de vragen hangt aan een tekening of een animatie — ook dat is onze eigen ondergrens, en we trekken hem verder op. Het percentage voor de invulvraag geldt voor de bank en niet voor één zitting: in één proefexamen komen er hoogstens 2 invulvragen, precies de zeldzaamheid die hierboven al genoemd is.
Losse thema's oefen je op oefenen. En omdat de taal net zo goed geoefend moet worden als de regel, staat het lezen van de opgave in de examentaal apart op taaltraining: de vraag in het Nederlands of het Engels, de uitleg in je eigen taal.
Wat je onthoudt
- 50 vragen, 30 minuten, 44 goed voor de personenauto: één doorlopend geheel met één uitslag.
- 36 seconden per vraag betekent herkennen, niet redeneren.
- De vraag staat in de afbeelding, en de witte auto ben jij.
- Bij meerdere juiste antwoorden telt alleen de volledige set.
- Mag, moet en ontkenningen bepalen het antwoord vaker dan de regel zelf.
- Nederlands of Engels; Russisch en Oekraïens bestaan niet als examentaal.
- Je uitslag blijft anderhalf jaar geldig; een nieuw examen kost weer het volle tarief.
Waar deze cijfers vandaan komen
- CBR, «Vernieuwd theorie-examen B-rijbewijs vanaf 7 april» (20.02.2025) — 50 vragen, 30 minuten, grens 44, één doorlopend geheel.
- CBR, «Voorbeeldvragen theorie-examen auto» — de vraagvormen en de manier waarop een vraag gesteld wordt.
- CBR Tarieven 2026 — alle bedragen in deze les.
- Reglement rijbewijzen art. 2 en 7 — de formule «een jaar en zes maanden» (daar voor de theorie-uitslag bij AM en A; het CBR hanteert voor B dezelfde termijn).
- Reglement rijbewijzen art. 5 en WVW 1994 art. 110 — de minimumleeftijden.
- Wet op de uitgebreide identificatieplicht — je legitimeren vanaf 14 jaar.