Les 5. Weggebruik: plaats, snelheid, inhalen en stilstaan

Dit hoofdstuk gaat over de gewone rit: hoe hard je mag, waar op de weg je hoort, wanneer je erlangs mag en waar je de auto mag neerzetten. Het lijkt het makkelijkste onderwerp van de theorie en het levert toch veel fouten op. De reden is dat de regels kort zijn en de uitzonderingen talrijk: één zin in de wet, en daaronder een rij bijzondere gevallen die het examen juist toetst.

Twee dingen scheiden hier goed van fout. Ten eerste: bijna elke regel hangt niet aan het voertuig alleen en niet aan de weg alleen, maar aan de combinatie van beide. De bromfiets heeft niet één snelheid, hij heeft er vier, en welke geldt hangt af van waar hij rijdt. Ten tweede: een aantal woorden dat in het dagelijks spraakgebruik hetzelfde betekent, betekent in het RVV iets anders — stilstaan en parkeren, bromfiets en snorfiets, autoweg en autosnelweg. Wie de vraag met het verkeerde woord leest, kiest een antwoord dat op zichzelf klopt maar niet bij de vraag hoort.

Snelheid: drie verdiepingen boven elkaar

Je maximumsnelheid komt uit drie bronnen tegelijk, en je moet ze alle drie langslopen voordat je antwoordt.

De eerste verdieping is de wettelijke standaard: wat geldt als er geen bord staat. Art. 20 regelt het binnen de bebouwde kom: «Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen 50 km per uur». De bebouwde kom is een juridisch gebied, geen visueel: hij begint bij het bord en eindigt bij het bord, niet waar de huizen ophouden.

Plaatsnaam

Art. 21 doet hetzelfde daarbuiten: «Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur». Welke van de drie je hebt, zegt het bord bij de ingang: de autosnelweg wordt aangeduid door bord G1 — autosnelweg, de autoweg door bord G3 — autoweg. Ze lijken op elkaar en worden voortdurend verwisseld: de autosnelweg heeft gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen, de autoweg niet altijd.

Hier zit de bekendste val van het onderwerp. De wet zegt 130 op de autosnelweg, maar op vrijwel het hele net staat overdag een bord 100, van 06:00 tot 19:00 uur. Dat is geen wetswijziging maar bebording, en een bord gaat vóór de standaard: art. 63 — «Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.» En art. 62 verplicht je dat teken op te volgen: «Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.» De vraag "mag ik hier honderddertig?" beantwoord je dus door naar het bord te kijken, niet naar de wet.

De tweede verdieping is het bord zelf. Bord A1 — maximumsnelheid geeft de limiet, bord A2 — einde maximumsnelheid heft hem op. Bord A4 — adviessnelheid, het blauwe rechthoekige bord in een bocht, is géén limiet: er staat geen boete op, maar het getal is berekend op nat wegdek en een gemiddelde auto.

50

50

50 km/h

De derde verdieping is je eigen voertuig, en die vergeten de meeste kandidaten. Bromfietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig hebben eigen getallen, en ze verschillen per weggedeelte.

Wie en waarBinnen de kom (art. 20)Buiten de kom (art. 21)
Bromfiets op de rijbaan4545
Bromfiets op het fiets/bromfietspad3040
Snorfiets, overal (art. 22)2525
Gehandicaptenvoertuig met motor op het fietspad3040
Gehandicaptenvoertuig en bijzondere bromfiets op het trottoir66

Art. 22 zet daarnaast bijzondere maxima neer voor hele voertuigcategorieën: «Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden».

VoertuigBijzonder maximum, km/u
Vrachtauto; kampeerwagen (bedrijfsauto) zwaarder dan 3500 kg; autobus, behalve T10080
Autobus T100100
Personenauto, bestelauto, motorfiets, driewieler of T100-bus met aanhangwagen tot 3500 kg90
Ander motorvoertuig met aanhangwagen80
Brommobiel45
Snorfiets25
Landbouwtrekker en mobiele machine (art. 22a)25
Dezelfde voertuigen op de wegen die art. 22a noemt40

Deze eigen maxima zijn hard. Art. 63b: staat op een bord een hogere snelheid dan jouw eigen maximum, dan «geldt de laagste aangegeven snelheid». Een vrachtauto die een bord met honderd passeert, rijdt dus nog steeds tachtig, en een auto met aanhanger blijft bij zijn eigen getal. Hetzelfde artikel regelt de tegenspraak tussen twee tekens: «Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.» Een bord kan jouw eigen maximum dus wél verlagen en nooit verhogen.

Er bestaan ook ondergrenzen. Art. 42: «Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden», en voor de autoweg is dat «ten minste 50 km per uur». Let op het woordenpaar «mag en kan»: het gaat niet om de snelheid die je toevallig rijdt, maar om wat je voertuig mag en kan. Bromfiets, snorfiets en brommobiel komen er niet op: art. 42 spreekt alleen over motorvoertuigen, en dat zijn zij naar art. 1 niet — en hun eigen maximum ligt bovendien onder de drempel.

In een erf geldt een eigen getal. Art. 45: «Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.» Het erf begint bij bord G5 — erf en eindigt bij bord G6 — einde erf; verwar het niet met de bebouwde kom, dat is een ander gebied met een andere limiet.

Eén klein getal komt uit de verlichtingsregels en wordt toch bij snelheid gevraagd: art. 41 staat manoeuvreerlichten alleen toe tot «een maximumsnelheid geldt van 10 km per uur».

De regel die boven elk bord staat

Een bord geeft een bovengrens, geen toestemming. Art. 19: «De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.» In dichte mist met zicht van enkele tientallen meters is honderd rijden een overtreding van art. 19, ook onder een bord dat honderd toestaat. Dit artikel is de reden dat het antwoord "het bord staat er, dus mag het" op het examen bijna altijd fout is.

Waarom dat geen loze formule is, laat het rekenwerk zien. De remweg groeit met het KWADRAAT van de snelheid: bij 50 km/u is hij op droog wegdek ongeveer 12,1 meter, bij 100 km/u ongeveer 48,2 meter — vier keer zoveel. De stopafstand, reactieafstand plus remweg, groeit minder hard: van 25,9 naar 76,0 meter, ongeveer 2,9 keer. Wie die twee begrippen door elkaar haalt, kiest bij zulke vragen stelselmatig het verkeerde getal.

De wet noemt geen aantal meters afstand tot je voorganger; de vuistregel is de tweesecondenregel. Als je voorganger een paal passeert, tel je 2 seconden; op nat wegdek maak je er 4 van. Te dicht op je voorganger rijden is een zelfstandige overtreding, geen kwestie van rijstijl.

Inhalen: links is de regel, rechts de uitzondering

Art. 11 is drie woorden lang: «Inhalen geschiedt links.» Daaronder staan de gevallen waarin rechts wél mag, en juist die worden gevraagd, want "links" weet iedereen al.

Vier keer mag je zelf rechts passeren. Art. 11 laat het toe bij wie links heeft voorgesorteerd en dat met zijn richtingaanwijzer heeft aangegeven: «Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.» Beide voorwaarden tellen: staat de richtingaanwijzer niet aan, dan geldt de uitzondering niet. Hetzelfde artikel laat het toe rechts van een blokmarkering — «Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen» — en bij de tram: «Bestuurders mogen trams rechts inhalen.» Het vierde geval staat in art. 13 over files: «Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.» Een file is stilstaand of langzaam rijdend verkeer op alle stroken; het RVV geeft er geen definitie van, drukte alleen is geen file, en "hij remt, dus rechts mag" is geen uitzondering.

Nog een regel uit art. 11 gaat niet over jou maar over de fietser: «Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.» De fietser die rechts naast je opduikt terwijl je staat te wachten, doet dus niets verkeerds.

Waar inhalen verboden is, staat het er meestal bij. Art. 12: «Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen» — dat verbod geldt ook als er geen voetganger te zien is, want je verbergt met je eigen auto wie er wél aankomt. Bord F1 verbiedt motorvoertuigen elkaar onderling in te halen, bord F3 verbiedt het alleen aan vrachtauto's.

Ook de streep telt mee. Art. 76: «Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.» Ligt er zo'n streep, dan kun je niet inhalen zonder haar te overschrijden, en dus mag het niet.

Twee vaste examenvallen tot slot. Inhalen geeft geen extra snelheid: art. 21 blijft gelden, ook halverwege de manoeuvre. En art. 13 zegt bovendien dat je bij fileverkeer niet de meest rechtse rijstrook hoeft te volgen — dat is een ontheffing van het rechts houden, geen vrijbrief om sneller te gaan dan de strook naast je.

Plaats op de weg: wie hoort waar

De hoofdregel is art. 3: «Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.» Op een autosnelweg met drie stroken betekent dat: de rechterstrook, tenzij je inhaalt, en daarna terug. Hetzelfde artikel geeft de fietser een eigen recht: «Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.»

Op de autosnelweg en de autoweg zet art. 43 daar drie verboden naast: keren en achteruitrijden (eerste lid), stilstaan op de rijbaan (tweede lid) en, buiten noodgevallen, het gebruik van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm (derde lid). Het vierde lid gaat over de plaats op de weg: op een autosnelweg met drie of meer rijstroken blijven vrachtauto's en samenstellen van voertuigen langer dan 7 meter op de twee meest rechtse stroken.

Ook de versmalling zonder borden hoort hier. Een versmalling is geen kruispunt: rechts gaat voor speelt er niet, en het RVV wijst er geen voorrang toe. Er is dus geen voorrangsregel; art. 19 beslist — je moet tijdig kunnen stoppen — en daarnaast gelden rechts houden en het verbod gevaar te veroorzaken. Verstandig is wie al in de versmalling zit te laten passeren: die kan niet achteruit. Staan er wél borden, dan zeggen die het rechtstreeks: bord F5 verplicht je te wachten voor de tegenligger, bord F6 zegt dat de tegenligger op jou wacht.

Daarna verdeelt de wet de weggebruikers over de weggedeelten. Fietsers vallen onder art. 5: zij gebruiken het verplichte fietspad, bord G11 — verplicht fietspad, of het fiets/bromfietspad, bord G12a — fiets/bromfietspad; ontbreekt zo'n pad, dan de rijbaan. Het onverplichte fietspad, bord G13 — onverplicht fietspad, mág de fietser gebruiken maar hoeft niet: rijdt hij ernaast op de rijbaan, dan rijdt hij daar rechtmatig. Een fiets op meer dan twee wielen of met aanhangwagen die met lading breder is dan 0,75 meter, mag de rijbaan gebruiken — een recht, geen plicht; voor de bromfiets in dezelfde situatie is het wél een plicht, zie art. 6 hieronder.

fietspad

Voor de snorfiets staat in hetzelfde artikel de tonnetjesregel van het examen: «Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.»

De bromfietser valt onder art. 6: hij gebruikt het fiets/bromfietspad, en de rijbaan als dat pad ontbreekt. Breed materieel gaat naar de rijbaan: «Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan.» Bromfiets en snorfiets zijn twee juridische categorieën, te herkennen aan het geel en het blauw kenteken; het verschil kost 45 tegenover 25 en een andere plaats op de weg.

Art. 7 geeft het gehandicaptenvoertuig de ruimste keuze van allemaal: «het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan». Zie je zo'n voertuig op de stoep, dan is dat geen overtreding. Art. 8 stuurt de ruiter naar het ruiterpad, bord G9 — ruiterpad, en bij gebrek daaraan naar de berm of de rijbaan.

Art. 10 vangt de rest op: alle bestuurders die niet apart genoemd zijn, gebruiken de rijbaan. Hetzelfde artikel sluit één strook af: «Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.» En art. 27 zegt waar de tweewieler hoort als hij stilstaat: «Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.»

Plaats op de weg gaat niet alleen over welk weggedeelte je neemt, maar ook over hoeveel ruimte je laat. Passeer je een fietser of een snorfietser, houd dan meer ruimte aan dan een openslaand portier breed is en laat het gas los: vlak naast hem heeft hij geen ruimte om uit te wijken en jij geen tijd om te reageren. Art. 19 en art. 5 van de WVW 1994 vragen precies dat.

Invoegen, van strook wisselen en uitvoegen

Dit is het blok waarin kandidaten het vaakst een voorrangsredenering gebruiken die er niet is. Art. 54 zet er een streep door: «Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.»

Wie invoegt heeft dus geen enkel recht op de ruimte: hij wacht op een gat en maakt er zelf geen. Het verkeer op de doorgaande rijbaan hoeft niet af te remmen en niet uit te wijken. Art. 1 legt uit welke rijbaan dat is: «doorgaande rijbaan: rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken» — de invoegstrook hoort er niet bij, en daarom is het oprijden ervan een manoeuvre en geen gewoon doorrijden. Snelheid gelijkmaken doe je óp de invoegstrook, niet erna; uitvoegen doe je door eerst de uitrijstrook op te gaan en pas daar te remmen.

Het teken is verplicht en apart geregeld. Art. 55 eist van de bestuurder van een motorvoertuig een teken met de richtingaanwijzer — de bromfietser mag het ook met zijn arm geven — bij wegrijden, bij het inhalen van een ander motorvoertuig, bij het oprijden en verlaten van de doorgaande rijbaan, bij het wisselen van rijstrook «alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen». De volgorde op de weg is spiegel, richtingaanwijzer, blik over de schouder, en dan pas sturen: de richtingaanwijzer kondigt aan en geeft geen recht.

De ruimte tussen stroken is geen ruimte. Art. 77: «Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.» Het puntstuk is de driehoekige wig tussen afrit en doorgaande rijbaan. Heb je je afrit gemist, dan rijd je door naar de volgende — over de wig terugsnijden is verboden en levert precies de aanrijding op die de markering moet voorkomen. Twee uitzonderingen staan in hetzelfde artikel: wie een spitsstrook volgt door een splitsing of samenvoeging heen, en wie rechtmatig een busbaan of busstrook volgt.

Ben je eenmaal in een voorsorteerstrook, dan is de pijl een gebod. Art. 78: «Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft.» Een fietsstrook binnen die voorsorteerstrook hoort erbij. Op dezelfde manier bindt de pijl in de uitrijstrook.

Ritsen — om beurten invoegen zo dicht mogelijk bij de versmalling — staat niet als norm in het RVV. Het is een veiligheidsadvies; de plicht blijft die van art. 54 en ligt bij degene die van strook wisselt, ook als dat een vrachtauto is die de hele strook vult.

Bijzondere stroken: elk met een eigen slot

De moeilijkheid van dit blok is dat elke strook op een ándere manier gesloten is. Het antwoord hangt dus niet aan de naam maar aan het slot.

De busbaan en de busstrook zijn gesloten door het WOORD op het wegdek, niet door de kleur. Art. 81: «Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.» Bord F13 — busbaan of -strook markeert hem. Rood asfalt zonder het woord zegt niets.

De fietsstrook is gesloten door het TYPE STREEP: alleen met doorgetrokken strepen is hij voor anderen verboden (art. 10). Bij een onderbroken streep is hij niet verboden, maar ook niet van jou: art. 3 en de plicht om de fietser ruimte te laten blijven gewoon gelden.

De spitsstrook is gesloten door het SIGNAAL erboven. Art. 73 geeft de betekenissen van de rijstrooklichten: een groene pijl betekent dat de strook gebruikt mag worden, een rood kruis dat het niet mag, een witte pijl is de voorwaarschuwing van dat kruis, en de woorden «BUS» en «LIJNBUS» beperken de strook zoals art. 81 dat op het wegdek doet — met één verschil: boven de strook noemt art. 73 de tram niet. Hetzelfde artikel zegt over de vluchtstrook: «De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt». Een file is geen noodgeval. Staat de spitsstrook open, dan mag je de doorgetrokken streep oversteken om hem te bereiken of te verlaten — art. 76 noemt dat met zoveel woorden als uitzondering.

Stilstaan op deze stroken is apart verboden: art. 23 verbiedt het op een fietsstrook en op de rijbaan langs een fietsstrook, en ook op de rijbaan langs een busstrook.

Stilstaan en parkeren zijn twee verschillende verboden

Eerst het woord. Art. 1: «parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen». Wachten op iemand die er nog niet is, is dus parkeren. Elk parkeren is stilstaan, maar niet elk stilstaan is parkeren — en daarop is de meeste vragen gebouwd.

Art. 23 somt op waar STILSTAAN verboden is: op een kruispunt of een overweg, op een fietsstrook, «op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan», in een tunnel, «bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord», langs een busstrook en langs een gele doorgetrokken streep. Waar stilstaan verboden is, mag je ook niemand uit laten stappen. Bij de bushalte staat de enige uitzondering in het artikel zelf: dat verbod «geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers». Bord E2 — verbod stil te staan verbiedt hetzelfde met een bord.

Art. 24 gaat over PARKEREN en heeft een eigen lijst: «bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan», «voor een inrit of een uitrit», buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg, langs een gele onderbroken streep, op een plek voor laden en lossen, en op een plaats voor vergunninghouders. Hetzelfde artikel verbiedt dubbel parkeren en verplicht, waar vakken zijn aangebracht, in die vakken te staan. Bord E1 — parkeerverbod verbiedt parkeren; stilstaan blijft daar toegestaan.

Die lijst van art. 24 is gesloten, en dat geeft een verschil met veel buurlanden: tegen de rijrichting in geparkeerd staan mag in Nederland overal waar parkeren is toegestaan, want het staat niet op de lijst. Om er te komen mag je geen doorgetrokken streep overschrijden (art. 76) en niemand hinderen, en bij het wegrijden ben je de bijzondere manoeuvre van art. 54 die iedereen voor laat gaan.

AfstandMeter
Stilstaan bij een oversteekplaats (art. 23)5
Stilstaan bij een bord bushalte zonder geblokte markering (art. 23)12
Parkeren bij een kruispunt (art. 24)5

De parkeerschijf-zone is bord E10 — parkeerschijf-zone. Art. 25 verbiedt daar parkeren behalve op de aangeduide plaatsen of plaatsen met een blauwe streep, en dan alleen met een duidelijk zichtbare parkeerschijf achter de voorruit. Op de schijf staat het tijdstip waarop je begon; bij het instellen mag je naar boven afronden op het eerstvolgende hele of halve uur, en een schijf die zichzelf tijdens het parkeren verzet, is verboden.

ZONE P P max 2h

Op een gehandicaptenparkeerplaats, bord E6 — gehandicaptenparkeerplaats, mag volgens art. 26 alleen een gehandicaptenvoertuig staan of een motorvoertuig op meer dan twee wielen met een geldige, zichtbaar aangebrachte gehandicaptenparkeerkaart, en alleen als het parkeren rechtstreeks met het vervoer van de gehandicapte te maken heeft.

P

Wat die kaart uitzet, staat in art. 85, en de lijst is gesloten. De parkeerschijfzone vervalt, en enkele andere verboden vervallen «indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren» — dan moet er wel een zichtbare parkeerschijf met het begintijdstip liggen. Onthoud de grens van 3 uur en het woord "gesloten": verboden die er niet in staan, zoals het verbod voor een uitrit, blijven gewoon gelden.

Tot slot een plicht die bij stilstaan hoort maar over voetgangers gaat. Art. 49: «Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.» Het zebrapad wordt aangeduid door bord L2 — voetgangersoversteekplaats. Wachten tot iemand de rijbaan op stapt is te laat; en juist daarom mag je er niet vlak voor stilstaan of inhalen.

De norm boven alle normen

Wat de tekens ook zeggen, art. 5 van de WVW 1994 blijft staan: «Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.» Stilstaan in een onoverzichtelijke bocht is daarom fout, ook waar geen bord en geen streep het verbiedt: samen met art. 19 is dat het antwoord op elke vraag die met "mag het hier?" begint en waar geen verbodsbord te zien is.

Wat je onthoudt

  • Zonder bord: 50 binnen de kom, 80 buiten de kom, 100 op de autoweg, 130 op de autosnelweg — maar overdag staat daar een bord 100, en het bord wint.
  • Je eigen maximum kan een bord verlagen, nooit verhogen: vrachtauto 80, brommobiel 45, snorfiets 25.
  • Ondergrenzen en het erf: 60 om de autosnelweg op te mogen, 50 voor de autoweg, 15 binnen een erf.
  • Een bord is een bovengrens, geen toestemming — art. 19 en de zichtbare vrije weg gaan voor.
  • Afstand houden: 2 seconden op droog wegdek, 4 op nat.
  • Inhalen gebeurt links; rechts alleen bij de linksafslaander met richtingaanwijzer, rechts van een blokmarkering, bij de tram en in een file.
  • Bromfiets en snorfiets zijn twee categorieën; autoweg en autosnelweg zijn twee wegsoorten; stilstaan en parkeren zijn twee verboden.
  • Invoegen, uitvoegen en van rijstrook wisselen zijn bijzondere manoeuvres: je laat iedereen voorgaan en de richtingaanwijzer geeft je geen recht.
  • Elke bijzondere strook heeft een eigen slot: het woord op het wegdek, het type streep, of het signaal erboven.
  • Meters die je uit je hoofd kent: 5 van een oversteekplaats, 12 van een bord bushalte zonder markering, 5 van een kruispunt bij parkeren.

In de wet

  • art. 1 — definities: parkeren, doorgaande rijbaan, invoegstrook, uitrijstrook, verdrijvingsvlak, puntstuk, snorfiets, autoweg, autosnelweg.
  • art. 3 — zoveel mogelijk rechts houden; fietsers naast elkaar, snorfietsers niet.
  • art. 5 — plaats van de fietser en van de snorfiets; motor uit op het onverplichte fietspad.
  • art. 6 — plaats van de bromfietser; breed materieel naar de rijbaan.
  • art. 7 — het gehandicaptenvoertuig mag trottoir, pad of rijbaan gebruiken.
  • art. 8 — de ruiter gebruikt het ruiterpad, anders de berm of de rijbaan.
  • art. 10 — alle overige bestuurders gebruiken de rijbaan; fietsstrook met doorgetrokken strepen is verboden.
  • art. 11 — inhalen geschiedt links, met de vier gevallen waarin rechts mag.
  • art. 12 — inhaalverbod vlak voor en op een voetgangersoversteekplaats.
  • art. 13 — bij file hoeft de rechterstrook niet, en files mogen rechts worden ingehaald.
  • art. 19 — kunnen stoppen binnen de afstand die je overziet en die vrij is.
  • art. 20 — maximumsnelheden binnen de bebouwde kom.
  • art. 21 — maximumsnelheden buiten de bebouwde kom.
  • art. 22 — bijzondere maxima per voertuigcategorie.
  • art. 22a — maximum voor landbouwtrekkers en mobiele machines.
  • art. 23 — waar stilstaan verboden is, met de uitzondering bij de bushalte.
  • art. 24 — waar parkeren verboden is; dubbel parkeren en parkeervakken.
  • art. 25 — de parkeerschijf-zone en het gebruik van de schijf.
  • art. 26 — wie op een gehandicaptenparkeerplaats mag staan.
  • art. 27 — waar fietsen en bromfietsen geplaatst worden.
  • art. 41 — manoeuvreerlichten alleen onder een lage snelheid.
  • art. 42 — ondergrens voor het gebruik van autosnelweg en autoweg.
  • art. 43 — keren, achteruitrijden en stilstaan op autosnelweg en autoweg; lange voertuigen op de twee rechtse stroken.
  • art. 45 — de snelheid binnen een erf.
  • art. 49 — voetgangers op de oversteekplaats voor laten gaan.
  • art. 54 — bijzondere manoeuvres: het overige verkeer voor laten gaan.
  • art. 55 — richting aangeven bij wegrijden, inhalen, in- en uitvoegen en zijdelingse verplaatsingen.
  • art. 62 — gevolg geven aan verkeerstekens met een gebod of verbod.
  • art. 63 — tekens gaan boven regels, voor zover die onverenigbaar zijn.
  • art. 63b — bij snelheid geldt de laagste aangegeven waarde.
  • art. 73 — rijstrooklichten; de vluchtstrook alleen in noodgevallen.
  • art. 76 — een doorgetrokken streep mag niet worden overschreden, met de spitsstrook als uitzondering.
  • art. 77 — verdrijvingsvlakken en puntstukken mogen niet worden gebruikt.
  • art. 78 — de pijl in de voorsorteerstrook en in de uitrijstrook is een gebod.
  • art. 81 — busbanen en busstroken: het woord op het wegdek bepaalt wie mag.
  • art. 85 — de gehandicaptenparkeerkaart heeft een gesloten lijst uitzonderingen.
  • art. 5 WVW 1994 — geen gevaar veroorzaken en het verkeer niet hinderen.

Volgende les

Gecontroleerd op: