Basiswoordenschat

Het examen gaat in het Nederlands of Engels. Wie zakt, struikelt vaker over een woord dan over een regel: je weet best wie voorrang moet verlenen, maar je herkent `voorrang verlenen` niet in de zin. Deze les gaat over het minimum.

Acht woorden die het vaakst terugkomen

WoordBetekenis in het kort
`voorrang`het recht om eerst te gaan
`voorrang verlenen`de ander ongehinderd laten gaan
`inhalen`voorbijrijden aan wie dezelfde kant op gaat
`rijbaan`het deel van de weg voor voertuigen
`fietspad`pad voor fietsers
`bebouwde kom`het stuk tussen bord H01 en H02
`erf`woonerf met eigen regime
`remweg`de weg die je aflegt tijdens het remmen

Elk woord in de [woordenlijst](/nl/glossary) heeft lidwoord, uitspraak, een letterlijke definitie en een veld «waarmee verward» — dat laatste is het belangrijkst.

Probeer zelf: [woordkaarten](/nl/glossary/kaarten) en [begrippen](/nl/oefenen?onderwerp=legal-definitions).

Paren die door elkaar lopen

`Voorrang verlenen` en `voor laten gaan` klinken bijna hetzelfde en betekenen iets anders: het eerste gaat over voorrang op een kruising, het tweede over een bijzondere manoeuvre waarbij je iedereen laat gaan. Het examen is dol op dit paar.

Net zo met `stilstaan` en `parkeren`: de verboden verschillen, en de vraag is meestal juist op dat verschil gebouwd.

Probeer zelf: [stilstaan en parkeren](/nl/oefenen?onderwerp=stopping-parking).

Wat je onthoudt

Leer een woord samen met datgene waarmee het verward wordt — los blijven ze niet hangen. En spreek ze hardop uit: op het examen lees je met je ogen, maar wat je hebt uitgesproken onthoud je.

Gecontroleerd op: