Les 3. Basiswoordenschat

Het theorie-examen wordt in het Nederlands of in het Engels afgenomen. Wie zakt, struikelt vaker over een woord dan over een regel: je weet best wie moet wachten, maar je herkent voorrang verlenen niet in de zin, of je leest rijstrook waar rijbaan staat. Deze les gaat daarom niet over regels maar over TAAL — over de woorden waarmee de vraag is opgeschreven.

De meeste van deze woorden zijn geen gewone taal. Ze staan in art. 1 van het RVV 1990, de lijst met begripsbepalingen, en daar betekenen ze precies één ding. Het dagelijkse Nederlands is losser dan de wet: in de kroeg is een brommer een brommer, in art. 1 is een bromfiets iets anders dan een snorfiets, en dat verschil bepaalt het antwoord. Bij de woorden hieronder staat daarom wat een gewoon woordenboek weglaat: wat de wet erover zegt en waarmee ze op het examen worden verwisseld, en bij de lastigste ook de uitspraak.

Hoe een examenvraag is opgebouwd

Er zijn vijf hoofdvormen, en je herkent ze aan de laatste zin.

Een JA/NEE-vraag is één vraag met twee knoppen. Ze begint bijna altijd met Mag je…? of Moet je…? en je antwoordt ja of nee. Let op het werkwoord: mag gaat over wat is TOEGESTAAN, moet over wat VERPLICHT is. Verwissel je die twee, dan is je antwoord precies omgekeerd goed.

Een meerkeuzevraag geeft twee, drie of vier antwoorden en er is er één juist. De vraag eindigt op Wat doe je?, Wat betekent dit bord?, Wie moet voorrang verlenen? of Hoe hard mag je?.

Bij een meervoudige-antwoordvraag staat het er letterlijk bij: «Kies alle juiste antwoorden» — er is dus meer dan één antwoord goed. Er zijn er twee, drie of vier goed, en half goed telt niet.

Bij een invulvraag typ je zelf een getal — een snelheid, een afstand, een aantal jaren.

Een korte animatie is de vijfde vorm: een filmpje zonder geluid van een verkeerssituatie, en daarna de vraag wat er gaat gebeuren of wat jij doet. Naast deze vijf kent het examen nog de sleepvraag en de single-sleepvraag, waarin je iets naar de juiste plaats in de afbeelding sleept, en de hotspotvraag, waarin je die plaats aantikt.

Twee woorden komen in al deze vormen terug en zijn elkaars tegendeel: verboden betekent dat het niet mag, toegestaan dat het wel mag. Verplicht is sterker dan toegestaan: het moet.

Wie: verkeer, weggebruiker, bestuurder, voetganger

Vier woorden voor mensen op de weg, van breed naar smal. Ze zijn de belangrijkste van de hele les, want ze bepalen op wie een regel slaat.

Verkeer (het, fer-KAYR) is volgens art. 1 «alle weggebruikers». Staat dat woord in een regel, dan gaat die regel dus ook over voetgangers.

Weggebruikers (de, VE-khe-broey-ker) somt art. 1 op: «voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen».

Bestuurders (de, be-STEWR-der) is smaller: «alle weggebruikers behalve voetgangers». Een fietser is dus een bestuurder, en de bestuurder van een snorfiets ook. Dit is de meest gemaakte verwisseling van het examen: een regel voor «bestuurders» geldt niet voor de voetganger, een regel voor «weggebruikers» wél.

Voetganger (de, VOOT-kha-nger) is wie te voet gaat.

Waarin: voertuig, motorvoertuig, bromfiets, snorfiets

Voertuigen (het) is in art. 1 een opsomming: «fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens». Een fiets is dus een voertuig.

Motorvoertuigen (het) is een kleinere groep: «alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen». Een brommer valt er dus buiten, en een tram ook — die loopt op rails. Ziet een vraag er makkelijk uit en gaat ze over «motorvoertuigen», kijk dan eerst of het voertuig in het plaatje er wel onder valt.

Een bromfiets (de, BROM-feets) gebruikt volgens art. 6 het fiets/bromfietspad en de rijbaan alleen als dat pad ontbreekt; zijn maximum hangt af van de plaats: 45 km per uur op de rijbaan, 30 op het pad binnen en 40 buiten de bebouwde kom (art. 20, art. 21). Hij heeft een geel kenteken. Een snorfiets (de, SNOR-feets) is volgens art. 1 een «bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec» en heeft een blauw kenteken. Een brommobiel is een «bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie»: een klein overdekt wagentje. Let op de vangregel: art. 2a legt op de brommobiel de regels voor motorvoertuigen «in plaats van de regels betreffende bromfietsen», en art. 22 geeft hem 45 km per uur.

Een gehandicaptenvoertuig (het) is volgens art. 1 een «voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte», niet breder dan 1,10 meter, zonder motor of met een motor tot 45 km per uur, en geen bromfiets. Een vrachtauto (de) is een «motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg»; een bestelauto is ook een goederenauto, maar lichter: «motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg». Beide regels gaan over goederenvervoer; de grens ertussen is 3500 kg. Een autobus vervoert «meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen», maar een lijnbus is smaller — alleen de bus die openbaar vervoer rijdt. Wie de strook mag gebruiken bepaalt het WOORD op het wegdek: bij BUS mogen de lijnbus, de autobus én de tram erop, bij LIJNBUS alleen de lijnbus en de tram (art. 81). Bij een aanhangwagen gaat het niet om het ontbreken van een motor: art. 1 noemt aanhangwagens «voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers» — een ander voertuig trekt hem, en de oplegger valt er ook onder.

Waarop: rijbaan, rijstrook, pad en strook

Hier zit het paar dat de meeste punten kost. Rijbaan (de, REY-bahn) is volgens art. 1 «elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden»: het rijgedeelte als geheel. Rijstrook (de, REY-strohk) is er een stuk van: «door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken». Eén rijbaan kan dus meerdere rijstroken hebben; een weg kan meerdere rijbanen hebben.

Hetzelfde patroon geldt voor de fiets. Een fietspad (het) is een APARTE weg voor fietsers — het hoort niet bij de rijbaan. Een fietsstrook (de) is juist wel een deel van de rijbaan: «gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht». Art. 10 zegt dat andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een fietsstrook met doorgetrokken strepen niet mogen gebruiken.

Voor voetgangers noemt art. 4 de plekken op volgorde: «Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad», en als die er niet zijn het fietspad, en anders de berm of de uiterste zijde van de rijbaan. Het trottoir (het, tro-TVAHR) is het verhoogde deel langs de weg; het voetpad is een pad dat met een bord alleen voor voetgangers is bestemd; de berm (de) is de onverharde strook ernaast.

Op de snelweg horen nog vier woorden. De doorgaande rijbaan is de «rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken». De invoegstrook is het weggedeelte «bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden», de uitrijstrook het weggedeelte voor wie «de doorgaande rijbaan verlaten». De vluchtstrook is het weggedeelte «dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen». Weer hetzelfde paar: de busbaan is een HELE rijbaan met het woord BUS of LIJNBUS erop, de busstrook een GEDEELTE van de rijbaan met datzelfde woord — art. 1 noemt haar «door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan».

Waar: kom, erf, autoweg en kruispunt

Een kruispunt (het, KROEY-spunt) is in art. 1 kort gedefinieerd: «kruising of splitsing van wegen». Een T-splitsing is dus ook een kruispunt, en een rotonde ook. Een uitrit staat NIET in die lijst: dat is de plek waar je vanaf een erf of parkeerterrein de weg oprijdt, en art. 54 noemt het een bijzondere manoeuvre. Wie dit verwart, past op een uitrit de kruispuntregel toe — de klassieke fout.

De bebouwde kom (de) wordt niet door een definitie maar door twee borden gemaakt: bord H1 zet hem aan, bord H2 zet hem uit. Binnen de kom geldt voor motorvoertuigen 50 km per uur (art. 20).

Plaatsnaam Plaatsnaam

Het erf (het) begint bij bord G5 en eindigt bij bord G6. Art. 44: «Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.» Art. 45: «Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.» Verwar het erf niet met de bebouwde kom: het erf is één straat, de kom een hele plaats.

Autosnelweg en autoweg zijn in art. 1 puur door hun bord bepaald: de autosnelweg is de «weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I», de autoweg de weg «aangeduid door bord G3 van bijlage I». Buiten de bebouwde kom noemt art. 21 voor motorvoertuigen 130 km per uur op autosnelwegen, 100 km per uur op autowegen en 80 km per uur op andere wegen. Pas op met die 130: dat is de wettelijke standaard, terwijl op vrijwel het hele net overdag (06:00–19:00 uur) een bord 100 staat — en het bord gaat vóór de regel (art. 63).

Een voorrangsweg is de weg met bord B1: de kruisende wegen laten jou voor. Een rotonde is een rond kruispunt. Een voetgangersoversteekplaats, in spreektaal zebrapad, is de plek met de witte strepen; bord L2 staat erbij.

Wat je doet: de werkwoorden van de manoeuvre

Art. 54 zet de belangrijkste werkwoorden in één zin: «Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.» Wie deze zin kent, kent de helft van de werkwoorden.

Inhalen (IN-hah-le) is voorbijrijden aan wie dezelfde kant op gaat. Art. 11: «Inhalen geschiedt links» — je haalt links in. Afslaan is naar links of rechts een andere weg opgaan; keren is omdraaien om terug te rijden. Deze twee lijken op elkaar en zijn het niet: op de autosnelweg en de autoweg is keren en achteruitrijden verboden (art. 43), afslaan niet. Voorsorteren is op tijd de strook kiezen die jouw kant op gaat. Invoegen is vanaf de invoegstrook de doorgaande rijbaan opgaan, uitvoegen het omgekeerde. Stapvoets is niet harder dan een lopend mens.

Bij bijna al deze manoeuvres hoort een teken met de richtingaanwijzer, en art. 55 legt die plicht op aan «Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers» — niet aan de fietser: bij wegrijden, bij het inhalen van ANDERE bestuurders van een motorvoertuig, bij het oprijden en verlaten van de doorgaande rijbaan, bij van rijstrook wisselen «alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen».

Stilstaan en parkeren zijn twee dingen

Stilstaan is de auto stil laten staan, hoe kort ook. Parkeren is volgens art. 1 «het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen». Stilstaan om iemand te laten uitstappen is dus geen parkeren.

Het onderscheid is geen woordspel: de verboden zijn verschillend. Art. 23 verbiedt STILSTAAN, onder meer op een kruispunt, op een oversteekplaats en binnen vijf meter daarvan, in een tunnel en langs een gele doorgetrokken streep. Art. 24 verbiedt PARKEREN, onder meer binnen vijf meter van een kruispunt, voor een inrit of een uitrit en langs een gele onderbroken streep. Een vraag over «een gele onderbroken streep» gaat dus over parkeren, en stilstaan mag daar wel.

Voorrang verlenen en voor laten gaan

Twee uitdrukkingen die in het dagelijks Nederlands hetzelfde lijken en in de wet verschillende dingen zijn.

Voorrang verlenen is in art. 1 gedefinieerd als «het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen». Het gaat over een kruispunt, tussen bestuurders die elkaar daar tegenkomen — art. 15, de borden van hoofdstuk B en de haaientanden regelen het. Bord B6 draagt het woord letterlijk.

Voor laten gaan gaat over JOUW eigen bijzondere manoeuvre uit art. 54: wegrijden, keren, achteruitrijden, de uitrit uitrijden, van strook wisselen. Dan laat je het overige verkeer gaan — iedereen, ook wie van links komt, ook de fietser.

Haaientanden (de, HAH-yen-tan-de) zijn in art. 1 «voorrangsdriehoeken op het wegdek». Art. 80 zegt wat ze betekenen: «Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.» Ze werken zonder bord.

Teken, bord, licht en aanwijzing

Verkeersteken (het) is een verzamelwoord: borden, verkeerslichten én tekens op het wegdek samen. Art. 62: «Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.» Art. 63: «Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.» Staat er in een vraag «verkeersteken», dan hoort de streep op het asfalt er dus bij.

Een verkeersbord is alleen het bord aan de paal. Een onderbord is het plaatje eronder dat de werking van het bord beperkt of uitbreidt — dagen, uren, voertuigcategorie. Een verkeerslicht is het stoplicht. Een aanwijzing (de) is iets anders dan dat alles: een bevel van een agent of verkeersregelaar, gegeven ter plekke aan jou.

Strepen en vlakken op het wegdek

Een doorgetrokken streep mag je niet overschrijden — maar art. 76 zegt het nauwkeuriger: het gaat om de streep «die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt», dus de kantstreep valt buiten het verbod. Een onderbroken streep mag je wel overschrijden. Een stopstreep is de brede witte lijn waarvoor je stopt — hij zegt alleen WAAR je stopt, niet DAT je moet stoppen: art. 79 eist stoppen voor die streep alleen «indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht».

Drie woorden lijken op elkaar en zijn drie verschillende dingen. Een verdrijvingsvlak is «gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht». Een puntstuk is «meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen» — de punt tussen afrit en doorgaande rijbaan. Een blokmarkering zijn de witte blokken die de invoegstrook en de uitrijstrook van de doorgaande rijbaan scheiden; art. 1 gebruikt dat woord in de definitie van beide stroken.

Dag, nacht en licht

Art. 1 maakt van twee gewone woorden een tijdsbepaling: dag is «de periode tussen zonsopgang en zonsondergang», nacht «de periode tussen zonsondergang en zonsopgang». Een vraag over verlichting «bij nacht» gaat dus niet over duisternis maar over de stand van de zon.

Art. 32 koppelt daar het licht aan: bestuurders voeren «bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht». Dimlicht is het gewone licht. Grootlicht mag in plaats daarvan, behalve bij dag, bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig. Mistlicht is het aparte mistlicht voor.

Reactieafstand, remweg, stopafstand

Drie woorden die op het examen vaak in één vraag staan. De reactieafstand zijn de meters die je aflegt vóórdat je voet de rem raakt. De remweg zijn de meters vanaf het remmen tot stilstand. De stopafstand is de som van die twee. Vraagt de vraag naar de stopafstand en reken je alleen de remweg, dan is het antwoord te klein.

Het woord waarop deze hele groep rust staat in art. 19: «De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.»

Hoe je deze woorden leert

Leer een woord nooit alleen. Leer het samen met het woord waarmee het wordt verwisseld: rijbaan met rijstrook, fietspad met fietsstrook, stilstaan met parkeren, bromfiets met snorfiets, kruispunt met uitrit, voorrang verlenen met voor laten gaan. Los blijven ze niet hangen; als paar wel.

Spreek ze hardop uit. Op het examen lees je met je ogen, maar wat je hebt uitgesproken herken je sneller. In de woordenlijst staat bij elk woord het lidwoord, de uitspraak, de letterlijke definitie en het veld «waarmee verward» — dat laatste is het belangrijkst.

Wat je onthoudt

  • Mag gaat over wat is toegestaan, moet over wat verplicht is.
  • Verkeer en weggebruikers zijn inclusief voetgangers, bestuurders niet.
  • Een fiets is een voertuig; een bromfiets is geen motorvoertuig.
  • De rijbaan is het geheel, de rijstrook een deel ervan.
  • Het fietspad ligt apart, de fietsstrook ligt op de rijbaan.
  • Een kruispunt is een kruising of splitsing van wegen; een uitrit niet.
  • De kom wordt door borden gemaakt, het erf ook — het zijn twee dingen.
  • Stilstaan is niet parkeren, en de verboden verschillen.
  • Voorrang verlenen hoort bij het kruispunt, voor laten gaan bij je eigen manoeuvre.
  • Verkeerstekens zijn borden, lichten én strepen samen.
  • Dag en nacht zijn in de wet standen van de zon.
  • Stopafstand is reactieafstand plus remweg.

In de wet

  • art. 1 — de begripsbepalingen: alle woorden hierboven met een definitie.
  • art. 2a — voor de brommobiel gelden de regels voor motorvoertuigen, niet die voor bromfietsen.
  • art. 4 — waar de voetganger loopt: trottoir, voetpad, fietspad, berm.
  • art. 5 — waar de fietser rijdt.
  • art. 6 — de bromfietser gebruikt het fiets/bromfietspad en de rijbaan alleen als dat pad ontbreekt.
  • art. 10 — andere bestuurders gebruiken de rijbaan; fietsstrook met doorgetrokken strepen niet.
  • art. 11 — inhalen geschiedt links.
  • art. 15 — voorrang aan wie van rechts komt.
  • art. 19 — kunnen stoppen binnen de afstand die je vrij kunt overzien.
  • art. 20 — maximumsnelheden binnen de bebouwde kom.
  • art. 21 — maximumsnelheden buiten de bebouwde kom.
  • art. 22 — bijzondere maximumsnelheden, onder meer 45 km per uur voor de brommobiel.
  • art. 23 — waar stilstaan verboden is.
  • art. 24 — waar parkeren verboden is.
  • art. 32 — dimlicht, grootlicht en mistlicht.
  • art. 43 — keren en achteruitrijden verboden op autosnelweg en autoweg.
  • art. 44 — voetgangers op het erf over de volle breedte.
  • art. 45 — de maximumsnelheid binnen een erf.
  • art. 54 — de bijzondere manoeuvres en voor laten gaan.
  • art. 55 — wanneer je een teken met de richtingaanwijzer geeft.
  • art. 62 — gevolg geven aan verkeerstekens met een gebod of verbod.
  • art. 63 — verkeerstekens gaan boven verkeersregels.
  • art. 76 — de doorgetrokken streep die niet langs de rand van de rijbaanverharding ligt.
  • art. 79 — stoppen voor de stopstreep, als stoppen verplicht is.
  • art. 80 — de betekenis van haaientanden.
  • art. 81 — wie de busbaan en de busstrook mag gebruiken bij BUS en bij LIJNBUS.

Volgende les

Gecontroleerd op: