Gordels en kinderbeveiliging
| Wat de regel is | Waar het misgaat | |
|---|---|---|
| De bestuurder | Gebruikt de voor hem beschikbare autogordel. Geen uitzondering voor korte ritten of lage snelheid. | «Ik rij maar tot de hoek.» De wet noemt geen afstand: de plicht geldt zodra de auto rijdt. |
| Passagiers | Ook zij gebruiken de voor hen beschikbare gordel. Art. 59 noemt bestuurder en passagiers in één zin. | Denken dat achterin de gordel niet hoeft. De tekst maakt geen onderscheid tussen voor- en achterbank. |
| Kinderbeveiligingssysteem | Verplicht bij twee voorwaarden TEGELIJK: jonger dan 18 jaar én kleiner dan 1,35 meter. Het systeem moet een keurmerk hebben. | Eén voorwaarde onthouden. «Tot 1,35 m» en «tot 12 jaar» zijn allebei onvolledig: in de wet staat «en», niet «of». |
| Aantal passagiers | Op zitplaatsen met gordels niet meer passagiers dan er gordels zijn. Vier gordels achterin betekent nooit vijf mensen. | «Kinderen tellen half.» Zij tellen als passagiers; een extra kind op een bank zonder vrije gordel mag niet mee. |
De wet zelf
- RVV1990 art. 59
«Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.»
Gecontroleerd op: