Gordels, kinderzitjes en zitplaatsen
| Wat de regel zegt | Waarop het aankomt | Waar het misgaat | |
|---|---|---|---|
| Wanneer een kinderzitje verplicht is | Voor passagiers die jonger zijn dan 18 jaar ÉN korter dan 1,35 meter, in een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem. | Op het woordje «en». Beide voorwaarden moeten gelden; valt er één weg, dan volstaat de gewone gordel. | Eén van beide onthouden. «Tot 12 jaar» en «tot 1,35 m» circuleren allebei, en allebei zijn ze fout: een lange tienjarige mag zonder zitje, een korte zestienjarige niet. |
| Niet meer passagiers dan gordels | Zijn de passagierszitplaatsen van gordels voorzien, dan mogen daar niet MEER passagiers zitten dan er gordels zijn. | Op de gordels, niet op de zitplaatsen. Drie kinderen achterin een auto met twee achtergordels is verboden, hoe smal ze ook zijn. | Deze zin over het hoofd zien: hij staat als derde volzin in hetzelfde lid en wordt bijna nooit geciteerd, terwijl juist hij bepaalt hoeveel mensen mee kunnen. |
| Het derde kind achterin | Passen er na twee kinderzitjes geen derde meer, dan mag een derde passagier van 3 jaar of ouder en korter dan 1,35 m mee op de GEWONE GORDEL — en niet op de voorste zitplaatsen. | Op drie voorwaarden tegelijk: 3 jaar of ouder, achterin, én de twee andere zitjes zijn daadwerkelijk IN GEBRUIK. | De uitzondering gebruiken omdat het zitje thuis staat. Zij geldt alleen als het derde zitje er FYSIEK niet bij kan — niet als het vergeten is. |
| Op de eigen zitplaats zitten | Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurder en passagiers op de voor HEN BESTEMDE zitplaatsen. | Op «bestemde». Een bagageruimte, een armsteun of iemands schoot is geen zitplaats, ook al past er iemand. | Denken dat de gordelplicht de hele regel is. Art. 58a staat ernaast en is zelfstandig: zonder eigen zitplaats helpt ook een gordel niet. |
| Vervoer in de laadruimte | Verboden — in de OPEN én de GESLOTEN laadruimte, en ook in of op een aanhangwagen. | Op de gelijkstelling van open en gesloten. Een bestelbus met wanden is geen uitzondering; de uitzonderingen staan limitatief in lid 2 (ambulance, politie, brandweer, rolstoel). | Het als «alleen op een open bak» lezen. Bij een botsing is een gesloten laadruimte niet veiliger: er zijn geen gordels, geen kreukelzone en geen bevestigingspunten. |
| De helm | Bestuurder ÉN passagiers van bromfiets, snorfiets, brommobiel zonder gesloten carrosserie, motorfiets en driewieler zonder gesloten carrosserie dragen een goed passende, goedgekeurde en met de sluiting VASTGEMAAKTE helm. | Op drie eisen in één zin: goed passend, goedgekeurd, en deugdelijk met de sluiting op het hoofd bevestigd. Alle drie tegelijk. | Een losse helm dragen. De wet noemt de sluiting expliciet: een niet-vastgemaakte helm voldoet niet, en bij een val is hij er als eerste af. |
De wet zelf
- RVV1990 art. 59 lid 1
«Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.»
- RVV1990 art. 59a lid 1
«Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.»
- RVV1990 art. 59b lid 1
«In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto's en bestelauto's, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt.»
- RVV1990 art. 58a lid 1
«Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen.»
- RVV1990 art. 61b lid 1
«Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.»
- RVV1990 art. 60 lid 1
«De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, snorfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21 van de wet en een bij ministeriële regeling aangeduid goedkeuringskenmerk.»
Gecontroleerd op: