Dode hoek en indirect zicht

Wat de wet eistWat dat op de weg betekentWaar het misgaat
Drie spiegelsAuto's van na 25 januari 2010 moeten een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel EN een binnenspiegel hebben. Ontbreekt met de binnenspiegel het zicht naar achteren, dan hoeft die er niet te zijn (lid 2).De uitzondering in lid 2 is er voor bestelbussen zonder achterruit — niet voor een auto waarin de spiegel scheef hangt of vol bagage staat.De buitenspiegels zo afstellen dat je je eigen auto ziet. Dat verdubbelt wat de binnenspiegel al toont en vergroot juist de dode hoek.
Camera in plaats van spiegelDe wet definieert een voorziening voor indirect zicht als een SPIEGEL, een CAMERA-MONITOR of een andere inrichting die informatie over het indirecte gezichtsveld geeft.Een camerasysteem is dus geen hulpmiddel naast de spiegel maar een volwaardige vorm ervan — mits het aan dezelfde eisen voldoet.Een parkeercamera voor zo'n voorziening houden. Zij toont alleen achter de bumper; het «aan het voertuig grenzende gebied» is veel groter dan dat.
Wie zich in de dode hoek bevindtArt. 18 lid 1 beschrijft haar zonder haar te noemen — verkeer dat zich NAAST je bevindt of LINKS OF RECHTS DICHT ACHTER je. Dat verkeer laat je voor.De plicht hangt niet aan «heb ik hem gezien», maar aan «bevindt hij zich daar». Niet zien is geen verweer.Op de spiegel alleen vertrouwen. Precies daarom bestaat de schouderblik — de wet eist het RESULTAAT, en het middel kies je zelf.
Bij een bijzondere manoeuvreBij wegrijden, achteruitrijden, keren, invoegen en van rijstrook wisselen laat je AL het overige verkeer voor gaan.«Al het overige» kent geen dode hoek als uitzondering. Kun je een richting niet overzien, dan is dat een reden om niet te gaan, niet om voorzichtig toch te gaan.Achteruitrijden op gevoel omdat er een pieper is. De pieper meldt afstand, niet wie er aankomt; art. 54 vraagt om het tweede.

De wet zelf

  • RegelingVoertuigen art. 1.1 (voorziening voor indirect zicht)

    «voorziening voor indirect zicht: voorziening om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;»

  • RegelingVoertuigen art. 5.2.45 lid 1

    «Personenauto's in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel.»

  • RegelingVoertuigen art. 5.2.45 lid 2

    «Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.»

  • RVV1990 art. 18 lid 1

    «Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.»

  • RVV1990 art. 54

    «Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.»

Gecontroleerd op: