Les 1. Hoe de Nederlandse weg in elkaar zit

Deze les gaat niet over regels, maar over de woorden waarmee alle regels zijn geschreven. Bijna elke bepaling van het RVV begint met «op de rijbaan», «op het fietspad», «binnen een erf» of «buiten de bebouwde kom». Wie die delen niet uit elkaar houdt, heeft niets om de regel op toe te passen: hij kent het antwoord wel, maar hangt het aan het verkeerde stuk asfalt.

Stel daarom bij elke examenvraag eerst vier vragen aan het plaatje. Op welk WEGDEEL bevind ik mij — rijbaan, fietspad, trottoir of berm? Ben ik BINNEN of BUITEN de bebouwde kom? Geldt hier een bijzonder regime: erf, autoweg, autosnelweg, voorrangsweg? En is wat ik voor mij zie een kruispunt of een uitrit? Pas als die vier antwoorden er liggen, is duidelijk welke regel überhaupt aan de orde is.

Weg, rijbaan en rijstrook: drie woorden, drie dingen

Het woord weg is het ruimst: de weg is meer dan de rijbaan alleen — het trottoir, het fietspad en de berm horen er net zo goed bij. Art. 1 laat dat al zien: de rijbaan heet daar een «weggedeelte», een DEEL van de weg. En art. 4 vult het aan, want daar krijgt de voetganger achter elkaar het trottoir, het voetpad, het fietspad en ten slotte «de berm of de uiterste zijde van de rijbaan» toegewezen. Allemaal delen van dezelfde weg. Een eigen omschrijving van het woord weg staat niet in het RVV, maar in art. 1 van de WVW 1994.

De rijbaan is daar één deel van. Art. 1 omschrijft haar als «elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden». Daar staan twee dingen in. Het trottoir hoort er niet bij, want dat is niet voor rijdende voertuigen bestemd. En fietspaden zijn er met zoveel woorden UITGEZONDERD: een fietspad is geen rijbaan, ook al ligt het er vlak naast.

De rijstrook ligt weer een niveau lager: «door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken». Een rijbaan kan dus meerdere rijstroken tellen, en een weg meerdere rijbanen — die laatste gescheiden door een middenberm.

Examensituatie: u rijdt buiten de bebouwde kom en rechts van u ligt, achter een doorgetrokken streep, een strook met fietssymbolen erop. Mag u daar even op uitwijken om een tegenligger ruimte te geven? Nee. Fietssymbolen plus strepen maken er een fietsstrook van, en art. 10 sluit de fietsstrook met doorgetrokken streep voor u af; art. 76 verbiedt bovendien het overschrijden van die streep. Stond er een bord G11 of G13, dan was het een fietspad — een aparte weg, en die is net zomin van u.

Valkuil: rijbaan en rijstrook verwisselen. Het gebod om zoveel mogelijk rechts te houden (art. 3) gaat over uw plaats op de rijbaan; het rode kruis boven u (art. 73) sluit één rijstrook af. Twee verschillende woorden, twee verschillende vragen.

Plaats op de weg: art. 3 tot en met art. 10

De wet wijst iedere weggebruiker een eigen deel toe, en doet dat in een vaste volgorde: eerst het pad dat voor hem bedoeld is, dan het alternatief als dat pad ontbreekt. Alleen die volgorde al beantwoordt veel examenvragen.

  • Art. 3: «Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.» Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden; voor snorfietsers geldt dat niet.
  • Art. 4: «Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.» Ontbreken die, dan het fietspad of het fiets/bromfietspad; ontbreekt ook dat, dan «de berm of de uiterste zijde van de rijbaan».
  • Art. 5: «Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad», en de rijbaan als beide ontbreken.
  • Art. 6: «Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad», en de rijbaan als dat ontbreekt.
  • Art. 7: «Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.» De ruimste keuze van allemaal, en de bestuurder kiest zelf.
  • Art. 8: ruiters gebruiken het ruiterpad, en anders de berm of de rijbaan.
  • Art. 9: voetgangers mogen de rijbaan gebruiken als zij een colonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.
  • Art. 10: andere bestuurders dan die van art. 5 tot en met art. 8 gebruiken de rijbaan. De auto staat dus nergens met naam en toenaam; hij is wat overblijft.

Twee bijzondere schakels horen erbij. Art. 2 verklaart de regels voor voetgangers ook van toepassing op wie te voet een fiets of bromfiets aan de hand meevoert. En art. 2b: «De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.» De snorfiets volgt dus in beginsel de fiets, niet de bromfiets.

Valkuil: boos worden op de fietser die op de rijbaan rijdt terwijl er een fietspad ligt. Kijk eerst naar het bord: is het pad onverplicht, dan mag hij daar zijn.

Fietspaden: G11, G12a en G13 zijn niet hetzelfde

Drie borden, drie regimes. Bijlage 1 geeft ze elk hun naam, en die naam is precies het verschil.

G11 — verplicht fietspad. Fietsers MOETEN hier rijden (art. 5); de rijbaan ernaast is voor hen dan geen optie meer — behalve voor brede fietsen: art. 5 lid 4 laat de rijbaan toe aan wie met lading of aanhangwagen breder is dan 0,75 meter.

G12a — fiets/bromfietspad. Dit pad is er voor fiets én bromfiets samen. Art. 6 stuurt de bromfietser juist hierheen: op een gewoon fietspad hoort hij niet.

fietspad

G13 — onverplicht fietspad. Art. 5: «Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.» Mogen, niet moeten: de fietser mag ook op de rijbaan blijven.

Examensituatie: u nadert een pad met bord G12a en ziet een bromfietser die van het pad de rijbaan op wil. Hij voert een bijzondere manoeuvre uit en moet u voor laten gaan (art. 54) — maar u weet nu ook waaróm hij daar reed: dat pad is zijn plaats, niet die van u.

Valkuil: fietspad en fietsstrook verwisselen. Het fietspad is een aparte weg met een eigen bord; de fietsstrook ligt ín de rijbaan en heeft geen bord, alleen strepen en een fietssymbool.

Stroken binnen de rijbaan

Een strook is geen pad — en de stroken onderling zijn ook niet gelijk. De fietsstrook en de busstrook noemt art. 1 met zoveel woorden een «gedeelte van de rijbaan»: daar blijven de rijbaanregels gewoon gelden. De vluchtstrook en de invoeg- en uitrijstroken noemt art. 1 juist een «afgescheiden weggedeelte» — die liggen náást de rijbaan en hebben hun eigen verboden. Bij de vluchtstrook is dat verschil hard: art. 43 lid 3 verbiedt haar gebruik behoudens noodgevallen.

De fietsstrook is een «door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht». Art. 10: «Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.» Dus: bij een doorgetrokken streep is de strook dicht voor u, bij een onderbroken streep zwijgt de wet — maar art. 3 en de fietser zelf zijn er nog steeds. Stilstaan mag daar sowieso niet: art. 23 verbiedt het «op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook».

De busbaan is een hele rijbaan met het woord BUS of LIJNBUS erop; de busstrook is een gemarkeerd gedeelte van de rijbaan met datzelfde woord. En het woord beslist wie er mag rijden. Bij «BUS» laat art. 81 de lijnbus, de autobus en de tram toe: die banen en stroken «mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram». Bij «LIJNBUS» valt de gewone autobus af: die «mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram» — alleen de lijnbus en de tram dus. Het woord op het asfalt is het teken, niet de rode kleur.

De vluchtstrook is «door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen». De spitsstrook is diezelfde strook op de momenten dat bord C23-01 haar als rijstrook aanwijst. Art. 73 hoort erbij: een groene pijl boven een strook betekent dat u haar mag gebruiken, een rood kruis dat u dat niet mag.

Valkuil: file voor een noodgeval houden. Stilstaand verkeer is geen noodgeval; de vluchtstrook moet juist dan vrij zijn voor de hulpdiensten.

Trottoir, voetpad en berm

Het trottoir is het meestal verhoogde deel van de weg voor voetgangers. Het voetpad is een pad dat door bord G7 als zodanig is aangewezen.

G7 — voetpad. Bestuurders horen daar niet, ook fietsers niet. Uitzondering is art. 7: het gehandicaptenvoertuig mag er wél komen.

De berm is de onverharde strook naast de verharding. Hij hoort bij de weg, maar niet bij de rijbaan. Twee gevolgen die op het examen terugkomen: art. 4 stuurt de voetganger de berm in als er geen trottoir, voetpad of fietspad is, en art. 43 verbiedt op autosnelweg en autoweg juist het gebruik van «de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm», behoudens noodgevallen.

Parkeren heeft hier zijn eigen regel. Art. 10 staat toe om voor het parkeren ook andere weggedeelten te gebruiken, «behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad». Twee wielen op de stoep is dus geen halve overtreding, maar een hele.

Examensituatie: buiten de bebouwde kom loopt iemand u tegemoet over de linker berm terwijl er geen trottoir is. Overtreedt hij iets? Nee: art. 4 wijst hem juist die plaats aan.

Markering is ook een verkeersteken

Art. 62: «Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.» Het woord «verkeerstekens» omvat borden, verkeerslichten én tekens op het wegdek. Art. 63 zet die tekens boven de gewone verkeersregels, voor zover regel en teken niet samen kunnen. Verf op de weg bindt u dus net zo goed als een bord aan een paal.

  • Doorgetrokken streep, art. 76: «Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.» De kantstreep langs de rand valt daar dus buiten. Art. 76 noemt zelf drie uitzonderingen; de belangrijkste is dat u de streep wél mag overschrijden als aan úw kant een onderbroken streep ligt.
  • Blokmarkering, art. 11: «Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.» De blokken scheiden de invoegstrook of uitrijstrook van de doorgaande rijbaan — en maken inhalen rechts daar juist wél toegestaan.
  • Verdrijvingsvlak en puntstuk, art. 77: «Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.» Het verdrijvingsvlak is het «gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht», het puntstuk het «meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen».
  • Voorsorteerstrook, art. 78: «Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft.» De pijl is een gebod, geen suggestie.
  • Stopstreep, art. 79: «Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.» De streep zegt WAAR u stopt, niet DAT u stopt.
  • Haaientanden, art. 80: «Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.» Art. 1 noemt ze «voorrangsdriehoeken op het wegdek». Zij werken zónder bord.

Valkuil: denken dat haaientanden u laten stoppen. Zij laten u voorrang verlenen; is de kruisende weg leeg, dan rijdt u door.

Kruispunt of uitrit: de duurste verwisseling

Art. 1 definieert het kruispunt kort: «kruising of splitsing van wegen». Een T-splitsing telt dus mee, en een rotonde ook. Op een kruispunt geldt art. 15: «Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders». Art. 15 lid 2 hangt daar twee uitzonderingen aan: «Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.» De onverharde weg wacht dus, en de tram gaat ook van links voor. De woorden «op deze regel» tellen mee: het zijn uitzonderingen op de rechtsregel zelf, geen algemene voorrang voor de tram. Waar een bord of haaientanden de voorrang regelen, beslissen die.

Een uitrit is iets anders. Daar rijdt u van een terrein de weg op, en dat is volgens art. 54 een bijzondere manoeuvre: «Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.» Voor laten gaan is hier het hele verhaal: iedereen, ook van links, ook de fietser op het fietspad en de voetganger op het trottoir dat u kruist. Let daarbij op het woord «zoals», dus «bijvoorbeeld»: de acht manoeuvres zijn voorbeelden, niet de hele verzameling. Wat er qua aard op lijkt valt er ook onder — bijvoorbeeld van het fietspad de rijbaan oprijden, zoals de bromfietser bij bord G12a eerder in deze les.

Parkeren onderstreept het onderscheid nog eens. Art. 24 verbiedt parkeren «bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan» en «voor een inrit of een uitrit» — bij de uitrit zonder enige afstand, want de bewoner moet er gewoon uit kunnen.

Examensituatie: u komt een parkeerterrein af en rijdt over een verlaagde stoep de straat op. Rechts nadert een auto. Geldt hier de regel dat rechts voorgaat? De vraag is verkeerd gesteld: dit is een uitrit, dus u laat iedereen voorgaan, van rechts én van links.

Valkuil: de vorm van het asfalt laten beslissen. Niet de hoek van de aansluiting bepaalt het antwoord, maar de aard van de manoeuvre.

Bebouwde kom: het begint bij een bord

Bebouwde kom betekent niet «waar huizen staan», maar het stuk tussen bord H1 en bord H2. Bijlage 1 noemt ze precies zo: «Bebouwde kom» en «Einde bebouwde kom».

Plaatsnaam

Binnen de kom geldt art. 20: «Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen 50 km per uur». Voor bromfietsen is het 30 km per uur op het fiets/bromfietspad en 45 km per uur op de rijbaan; voor een gehandicaptenvoertuig met motor en voor de snorfiets van art. 5 op trottoir of voetpad 6 km per uur.

Buiten de kom geldt art. 21: «voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur». De bromfiets mag daar 40 km per uur op het fiets/bromfietspad. Art. 22 zet daar nog voertuig-eigen maxima naast: vrachtauto's en autobussen 80 km per uur, de T100-bus 100 km per uur, brommobielen 45 km per uur, snorfietsen 25 km per uur.

Het bord verandert meer dan alleen de snelheid. Art. 24 verbiedt parkeren «buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg» — binnen de kom geldt dat verbod niet.

Valkuil: de kom laten beginnen bij het blauwe plaatsnaambord langs de snelweg. De grens wordt door de borden zelf aangegeven — de BABW schrijft het zo op: «De grens van de bebouwde kom, aangegeven door bord H1 en H2». Voor u loopt de kom dus van H1 tot H2, en het plaatsnaambord telt daarbij niet mee.

Erf: een eigen wereld met een eigen bord

G5 — erf. Bijlage 1 noemt het bord simpelweg «Erf»; wat het regime inhoudt, staat in drie korte artikelen.

  • Art. 44: «Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.» Niet aan de kant, niet op een pad: over de hele breedte. Daarom ligt er geen zebra — dat is geen omissie van de gemeente, maar het ontwerp.
  • Art. 45: «Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.» Ongeveer het tempo van een fietser.
  • Art. 46: «Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.» Is het erf tegelijk parkeerschijf-zone, dan komt de schijf daar nog bovenop.

Het erf loopt door tot bord G6, dwars door zijstraatjes heen. En het erf verlaten is geen kruispunt maar een bijzondere manoeuvre: u laat al het overige verkeer voorgaan.

Valkuil: het erf verwarren met een zone 30. Een zone 30 is een gewone weg met een lagere limiet; het erf is een andere ordening, met de voetganger over de volle breedte.

Autoweg en autosnelweg

Art. 1 definieert beide via hun bord. De autoweg is «weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I», de autosnelweg «weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I». Bij allebei staat dezelfde toevoeging, elk met zijn eigen woord: «langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit», en bij de autoweg «langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit». Parkeerplaatsen, tankstations en bushaltes langs de weg horen dus niet bij de weg zelf.

G3 — autoweg. Art. 42: het gebruik is alleen toegestaan voor een motorvoertuig waarmee ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

G1 — autosnelweg. Daar ligt die drempel volgens art. 42 op «ten minste 60 km per uur». Art. 43 voegt de verboden toe die bij beide wegtypen horen: niet keren, niet achteruitrijden, niet stilstaan op de rijbaan. En verder: «Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm». Op een autosnelweg met drie of meer rijstroken mag een vrachtauto of een combinatie langer dan 7 meter alleen de twee meest rechtse rijstroken gebruiken, behalve wanneer zij moeten voorsorteren.

De woorden van de op- en afrit staan ook in art. 1. De doorgaande rijbaan is «rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken»; de invoegstrook is het door een blokmarkering afgescheiden weggedeelte «bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden». Invoegen is daarmee een bijzondere manoeuvre van art. 54, en art. 55 eist dat u het aankondigt met de richtingaanwijzer.

Valkuil: autoweg en autosnelweg gelijkstellen. Op de autoweg kunnen kruispunten en verkeerslichten voorkomen, en de standaardsnelheid is er lager.

Voorrangsweg: een eigenschap van de weg

B1 — voorrangsweg. Bijlage 1 noemt het bord «Voorrangsweg»: u rijdt op een weg waar de kruisende wegen u voorrang moeten verlenen, en dat geldt op elk kruispunt tot bord B2 het einde aangeeft. Dat is het verschil met de voorrangskruispunt-borden, die maar over één kruispunt gaan.

Voor deze les telt vooral dat «voorrangsweg» een eigenschap van de WEG is, net als bebouwde kom, erf, autoweg en autosnelweg. Daarom hangt er ook een parkeerregel aan vast: art. 24 verbiedt parkeren buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg.

Wat je onthoudt

  • Weg is het geheel; rijbaan is waar voertuigen rijden; rijstrook is een strook binnen de rijbaan. Fietspaden zijn per definitie géén rijbaan.
  • Een pad heeft een eigen bord; een strook ligt in de rijbaan en heeft alleen strepen. Fietspad en fietsstrook zijn dus twee dingen.
  • G11 moet, G12a is voor fiets en bromfiets samen, G13 mag.
  • Art. 3 tot en met art. 10 wijzen ieder zijn plaats toe; de auto is wat overblijft.
  • Verf bindt als een bord: haaientanden, verdrijvingsvlak en pijl in het vak gelden zonder paal.
  • De stopstreep zegt waar u stopt, niet dat u stopt.
  • Een uitrit is geen kruispunt: daar laat u iedereen voorgaan, ook van links.
  • De bebouwde kom begint bij H1, niet bij de huizen.
  • In het erf: 15 km per uur, voetganger over de volle breedte, parkeren alleen in de vakken.
  • Autoweg en autosnelweg worden gedefinieerd door hun bord, en de parkeerplaats ernaast hoort er niet bij.

In de wet

  • art. 1 — definities: rijbaan, rijstrook, fietsstrook, busbaan, busstrook, vluchtstrook, spitsstrook, invoegstrook, uitrijstrook, doorgaande rijbaan, verdrijvingsvlak, puntstuk, haaientanden, kruispunt, autoweg, autosnelweg.
  • art. 2 — de voetgangersregels gelden ook voor wie zijn fiets aan de hand meevoert.
  • art. 2b — de snorfiets volgt in beginsel de regels van de fiets.
  • art. 3 — zoveel mogelijk rechts houden; fietsers naast elkaar, snorfietsers niet.
  • art. 4 — plaats van de voetganger: trottoir, voetpad, fietspad, berm.
  • art. 5 — plaats van de fietser; het onverplichte fietspad mag, met een bijzondere regel voor de snorfiets met verbrandingsmotor.
  • art. 6 — de bromfietser hoort op het fiets/bromfietspad.
  • art. 7 — het gehandicaptenvoertuig mag kiezen uit vijf wegdelen.
  • art. 8 — ruiters gebruiken het ruiterpad, anders berm of rijbaan.
  • art. 9 — colonnes, optochten en uitvaartstoeten te voet mogen de rijbaan gebruiken.
  • art. 10 — de rest gebruikt de rijbaan; parkeren nooit op trottoir, voetpad, fietspad of ruiterpad; fietsstroken met doorgetrokken strepen zijn verboden.
  • art. 11 — rechts van een blokmarkering mag u de bestuurders links ervan rechts inhalen.
  • art. 15 — voorrang van rechts, met de uitzonderingen onverharde weg en tram.
  • art. 20 — maximumsnelheden binnen de bebouwde kom.
  • art. 21 — maximumsnelheden buiten de bebouwde kom.
  • art. 22 — bijzondere maxima per voertuigsoort.
  • art. 23 — stilstaanverbod, onder meer op een fietsstrook en langs een busstrook.
  • art. 24 — parkeerverbod bij een kruispunt, voor een uitrit en op de voorrangsweg buiten de kom.
  • art. 42 — minimumsnelheid voor autoweg en autosnelweg.
  • art. 43 — keren, achteruitrijden, stilstaan, vluchtstrook en berm verboden; rijstrookverbod voor vrachtauto's.
  • art. 44 — de voetganger mag binnen het erf de volle breedte gebruiken.
  • art. 45 — binnen het erf niet sneller dan 15 km per uur.
  • art. 46 — binnen het erf alleen op aangewezen plaatsen parkeren.
  • art. 54 — bijzondere manoeuvres, waaronder uitrit, inrit, invoegen en van rijstrook wisselen.
  • art. 55 — richting aangeven bij wegrijden, inhalen, invoegen, uitvoegen en strookwisseling.
  • art. 62 — verkeerstekens met een gebod of verbod zijn verplicht.
  • art. 63 — verkeerstekens gaan boven de verkeersregels.
  • art. 73 — rijstrooklichten: groene pijl, rood kruis, witte pijl.
  • art. 76 — de doorgetrokken streep mag niet worden overschreden, met drie uitzonderingen.
  • art. 77 — verdrijvingsvlak en puntstuk zijn verboden.
  • art. 78 — volg de richting van uw voorsorteerstrook.
  • art. 79 — stoppen vóór de stopstreep als stoppen verplicht is.
  • art. 80 — haaientanden: voorrang verlenen aan de kruisende weg.
  • art. 81 — busbaan en busstrook: bij «BUS» de lijnbus, de autobus en de tram; bij «LIJNBUS» alleen de lijnbus en de tram.
  • art. 1 WVW 1994 — daar staat de formele omschrijving van het woord «weg», niet in het RVV.
  • BABW, borden H1 en H2 — de grens van de bebouwde kom wordt door deze twee borden aangegeven.

Volgende les

Gecontroleerd op: