Verkeerslichten — betekenis per kleur
| Wat het betekent | Waar het misgaat | Wat je doet | |
|---|---|---|---|
| Groen licht | Doorgaan (art. 68 lid 1 onder a). Groen geeft toestemming, geen voorrang boven alles: afslaand verkeer laat voetgangers en fietsers gewoon voorgaan. | Groen lezen als «de weg is vrij». Het licht regelt de stroom, niet wat er in de kruising zelf gebeurt — rijd het kruispunt niet op als je er niet af kunt. | Doorrijden — maar alleen als het kruispunt daarachter vrij is: art. 14 verbiedt het blokkeren, en groen heft dat verbod niet op. |
| Geel licht | STOP. Doorgaan mag alleen als je het licht al zo dicht genaderd bent dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is (art. 68 lid 1 onder b). | Geel lezen als «schiet op». De hoofdregel is stop; doorrijden is de uitzondering, en zij hangt af van de afstand, niet van je haast. | Stoppen. Alleen wanneer stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is, rijd je door — dat beoordeel je aan je afstand en snelheid, niet aan je haast. |
| Rood licht | Stop, zonder uitzondering (art. 68 lid 1 onder c). | Denken dat rechtsaf bij rood mag, zoals in sommige landen. In Nederland alleen als er een bord «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» hangt, en dat geldt niet voor auto's. | Stoppen voor de stopstreep, en als die er niet is, voor het licht — zo dat je het licht nog ziet. |
| Licht met pijl | Geldt uitsluitend voor de richting die de pijl aangeeft (art. 68 lid 2). Voor de andere richtingen zegt dit licht niets. | Een groene pijl lezen als groen voor iedereen. Rij je een andere richting, dan geldt voor jou het gewone licht — of moet je wachten. | Het licht geldt UITSLUITEND voor de richting van de pijl. Wil je een andere richting, dan zoek je het licht dat daarbij hoort. |
| Licht met een fiets | Geldt voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig (art. 68 lid 3). | Als automobilist op het fietslicht letten. Het is niet jouw licht; jij hebt je eigen, en die kunnen verschillen. | Als automobilist volg je het niet, maar je leest het wel: groen voor fietsers zegt je dat er zo meteen fietsers voor je langs komen. |
| Tram/buslicht | Wit licht of wit knipperlicht: doorgaan; geel: stop; rood: stop (art. 70). Het geldt voor tram en lijnbus — en voor iedereen die een busbaan of busstrook gebruikt. | Het witte licht aanzien voor een storing. Wit is hier een geldig sein: doorgaan. | Niets — tenzij je zelf een lijnbus of tram bestuurt. Voor jou geldt het gewone licht ernaast. |
| Overweglicht | Wit knipperlicht: er nadert geen trein; rood knipperlicht: stop (art. 71). Twee signalen, geen groen. | Wachten op groen dat nooit komt. Bij een overweg is wit knipperen het teken dat je door mag; dooft alles, dan gelden de gewone regels en kijk je zelf. | Bij wit knipperlicht doorrijden zonder aarzelen; bij rood knipperlicht stoppen en wachten tot het dooft. |
| Wie wint bij tegenspraak | Verkeerslichten gaan boven voorrangsborden (art. 64). Maar aanwijzingen — bijvoorbeeld van een verkeersregelaar — gaan boven zowel tekens als regels (art. 84). | De regelaar negeren omdat het licht groen is. De volgorde is: aanwijzing, dan licht, dan bord, dan regel. | Eerst kijken of er iemand regelt (art. 82), dan naar het licht (art. 64), dan pas naar borden en de rechtsregel. |
De wet zelf
RVV1990 art. 68 lid 1RVV1990 art. 68 lid 2RVV1990 art. 68 lid 3RVV1990 art. 69 lid 1RVV1990 art. 70RVV1990 art. 71RVV1990 art. 64RVV1990 art. 84RVV1990 art. 14
Gecontroleerd op: