Verlichting — wanneer verplicht, toegestaan of verboden

SituatieDagrijverlichtingDimlichtGroot lichtMistlicht voorMistachterlichtStadslicht
Overdag, goed zichtBrandt automatisch; het RVV eist het nietNiet verplichtVERBODEN — art. 32 lid 2 onder aNiet toegestaan zonder mist, sneeuw of regenNiet toegestaanNiet verplicht
Schemer en nachtOnvoldoende — vervangt dimlicht niet en laat de achterkant donkerVERPLICHT — art. 32 lid 1Toegestaan, behalve bij het tegenkomen van een weggebruiker en bij het op korte afstand volgen van een voertuigAlleen bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmertAlleen bij mist of sneeuwval en zicht onder 50 meterBrandt mee met het dimlicht; alleen stadslicht is onvoldoende
Mist of sneeuwval, zicht onder 50 meterOnvoldoende — bij ernstig belemmerd zicht is dimlicht verplicht (art. 32 lid 1) of mistlicht vóór (art. 34 lid 1)Verplicht, tenzij je mistlicht voor voert — dan hoeft dimlicht niet (art. 34 lid 1)Overdag verboden; 's nachts niet apart verboden, maar in mist verblindt het je eigen zichtToegestaanToegestaan — dit is de enige situatie waarin dat magBrandt mee
Zware regen of sneeuw, zicht ernstig belemmerdOnvoldoendeVerplicht — ook overdag, want het zicht is ernstig belemmerdOverdag verbodenToegestaan — regen staat uitdrukkelijk in art. 34 lid 1NIET toegestaan bij regen. Lid 2 noemt alleen mist en sneeuwval, en regen staat er niet bij — hoe hard het ook regentBrandt mee
Stilstaand buiten de bebouwde komNiet van toepassing — de motor kan uit zijnNiet verplichtNiet van toepassingNiet van toepassingNiet van toepassingVERPLICHT samen met achterlicht bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht — art. 38. Let op: alleen BUITEN de bebouwde kom
Slepen van een ander motorvoertuigNiet van toepassingBeide voertuigen volgen gewoon art. 32: het gesleepte voertuig wordt bestuurd, dus geldt de dimlichtplicht ook daarZoals altijd — niet bij dag, niet bij tegenliggersAlleen onder de weersomstandigheden van art. 34 lid 1Alleen onder de voorwaarden van art. 34 lid 2Brandt mee met het dimlicht
In een tunnelOnvoldoende als het zicht in de tunnel ernstig belemmerd isGeen eigen regel in het RVV. De plicht volgt uit art. 32: overdag alleen als het zicht ernstig belemmerd is, en anders uit de bebording bij de tunnelmondOverdag verboden; verblindt bovendien in een besloten ruimteAlleen als de weersomstandigheden van art. 34 lid 1 zich voordoenNiet toegestaan — er is geen mist of sneeuwvalBrandt mee met het dimlicht

Let op

  1. Mistlicht is nooit verplicht. Art. 34 gebruikt twee keer het woord «mag». Dimlicht is wél verplicht: art. 32 gebruikt «voeren». Wie dat verschil vasthoudt, beantwoordt de meeste verlichtingsvragen zonder verder na te denken.
  2. Voor en achter zijn niet symmetrisch. Mistlicht vóór mag bij mist, sneeuwval óf regen. Mistlicht achter mag alleen bij mist of sneeuwval, en alleen als het zicht korter is dan 50 meter. Regen geeft dus wel recht op het voorste mistlicht en nooit op het achterste.
  3. Vijftig meter is te schatten. De hectometerpaaltjes langs autosnelwegen staan om de honderd meter; zie je het volgende paaltje niet meer, dan zit je onder de honderd. Op andere wegen helpen lantaarnpalen, die meestal dertig tot veertig meter uit elkaar staan.
  4. Dagrijverlichting is geen verlichting in de zin van dit hoofdstuk. Ze staat in de Regeling voertuigen als eis aan het voertuig, niet in het RVV als plicht van de bestuurder. Art. 32 lid 3 somt op waarmee het achterlicht gelijktijdig moet branden: groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. Dagrijverlichting staat er niet bij. Rijd je in de schemer op alleen dagrijverlichting, dan is je auto van achteren onverlicht.
  5. Groot licht is bij dag niet «overbodig» maar verboden. Art. 32 lid 2 zet «bij dag» op één lijn met de twee andere verbodsgevallen: een tegenligger en het kort volgen van een ander voertuig.
  6. Stilstaan met stadslicht geldt buiten de bebouwde kom. Art. 38 noemt uitdrukkelijk de rijbaan en de parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens langs autosnelwegen en autowegen. Binnen de bebouwde kom bestaat die plicht niet. Voor stilstaande aanhangwagens geldt dezelfde regel via art. 39, voor wagens via art. 40.
  7. Bij slepen kent het RVV maar één eigen regel, en die gaat niet over licht: art. 53 verbiedt slepen als de afstand tussen de achterkant van het trekkende en de voorkant van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter is. Verlichting volgt gewoon de algemene artikelen.
  8. Over de tunnel zegt het RVV maar één ding: daar mag je niet stilstaan (art. 23, eerste lid, onder d). Een eigen verlichtingsplicht voor tunnels staat er niet in — die komt van de borden ter plaatse.

De wet zelf

RVV1990 art. 32 lid 1RVV1990 art. 32, lid 2RVV1990 art. 32, lid 3RVV1990 art. 34 lid 1RVV1990 art. 38RVV1990 art. 53RVV1990 art. 23 lid 1RVV1990 art. 34 lid 2

Gecontroleerd op: