Les 9. Het systeem achter de borden

Dit hoofdstuk gaat niet over het uit het hoofd leren van borden. Het gaat over het SYSTEEM waarin ze staan: welke soorten verkeerstekens de wet kent, welk teken van welk ander teken wint, hoe ver een bord geldt, wat een onderbord met dat bord doet, en waaraan je een bord herkent dat je nog nooit hebt gezien.

Wie dat systeem heeft, hoeft een onbekend bord niet te raden. De letter van de code zegt waarover het bord gaat, de vorm zegt of het waarschuwt of verplicht, de kleur zegt of het verbiedt of toestaat, en de plek in de rangorde zegt of het bord jouw situatie eigenlijk wel regelt. Bijna elke fout op dit onderwerp is een systeemfout, niet een geheugenfout: een rechts-gaat-voor-antwoord waar een teken staat, een zone die te vroeg wordt beëindigd, een onderbord dat niet gelezen is.

Wat de wet een verkeersteken noemt

Het woord «verkeersteken» is een verzamelwoord. Het dekt drie dingen tegelijk: de borden langs de weg, de verkeerslichten en de tekens op het wegdek. Hoofdstuk III van het RVV behandelt ze in één adem, en dat is precies de reden dat haaientanden zonder bord net zo hard werken als een bord.

De hoofdplicht staat in art. 62: «Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.» Let op het woord weggebruikers — dat is het ruimste woord dat de wet heeft. Art. 1 omschrijft weggebruikers als «voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen». Een bord is dus niet alleen voor automobilisten; ook de voetganger valt eronder. «Bestuurders» is in art. 1 juist smaller: «alle weggebruikers behalve voetgangers».

Alle borden staan in Bijlage 1 bij het RVV, geordend in series met een letter en een nummer. Die bijlage is de enige plaats waar de betekenis van een bord officieel staat; wat een bord «eigenlijk ook wel» betekent, bestaat niet.

De rangorde: wie wint van wie

Zoek altijd eerst de BRON van de regel, dan pas het antwoord. De wet kent drie niveaus.

Bovenaan staat de aanwijzing van een mens. Art. 84 is één zin: «Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.» Groen licht plus een agent die stopteken geeft, betekent stoppen.

Daaronder staan de verkeerstekens. Art. 63: «Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.» De woorden «voor zover» doen hier het werk: wat níét botst met het bord, blijft gewoon gelden. Een voorrangsbord zegt niets over je snelheid, en een snelheidsbord zegt niets over je voorrang.

Binnen de tekens gelden drie preciseringen.

  • Art. 64: «Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.» Alleen de VOORRANG. Groen heft geen inrijverbod en geen afslagverbod op.
  • Art. 63a: «Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn.» Bij wegwerkzaamheden volg je dus de gele belijning en niet de witte eronder.
  • Art. 63b staat naast de voorrangsleer en gaat alleen over snelheid: geeft een bord een hogere snelheid aan dan het bijzondere maximum dat voor jouw eigen voertuig geldt, dan telt de laagste. Hetzelfde geldt tussen een bord langs de weg en een elektronisch signaleringsbord: de laagste aanduiding wint.

Onderaan staan de gewone verkeersregels, zoals art. 15: «Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.» Die regel komt pas aan de beurt als er niets boven staat.

Examensituatie: het licht knippert geel bij een voorrangsbord. Art. 75: «Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.» Dat licht regelt geen voorrang, dus valt de voorrang terug op het bord — en niet op rechts gaat voor.

Vorm, kleur en de letter van de serie

Een onbekend bord lees je aan drie dingen tegelijk.

De LETTER van de code zegt het onderwerp: A snelheid, B voorrang, C geslotenverklaring, D verplichte rijrichting, E parkeren en stilstaan, F overige geboden en verboden, G verkeersregels (het regime van een soort weg), H bebouwde kom, J waarschuwing, K bewegwijzering, L informatie.

De VORM zegt de soort plicht: een driehoek met de punt naar boven waarschuwt — dat is heel serie J, met als enige uitzondering B03, B04 en B05, die in dezelfde vorm ook de voorrang regelen; een rond bord gebiedt of verbiedt, een rechthoek informeert, en de achthoek van B07 en de omgekeerde driehoek van B06 zijn de enige twee vormen die maar één bord hebben — juist zodat je ze van veraf en van achteren herkent. Vorm en kleur verkleinen het zoekgebied; het laatste woord heeft altijd Bijlage 1.

De KLEUR zegt de richting: rood in de rand of over het symbool verbiedt, blauw met wit symbool gebiedt of staat toe, blauw met wit vlak informeert, geel hoort bij tijdelijke situaties en werkzaamheden.

Val je op één van de drie terug, dan klopt het antwoord meestal nog. A01 is rond met een rode rand en dus verplicht; het gelijkende A04 is blauw en rechthoekig en dus een advies. Datzelfde verschil scheidt een verbodsbord van een gebodsbord: het eerste is rond met rood, het tweede rond en blauw.

Hoe ver een bord geldt

Een bord dat je hebt gelezen, is nog niet een bord dat je hebt begrepen: je moet ook weten tot waar het werkt.

De standaard is: vanaf het bord tot het bijbehorende eindebord of tot een bord dat het vervangt — en in de praktijk niet verder dan het volgende kruispunt. Loopt de regel na het kruispunt door, dan wordt het bord daar herhaald; daarom zie je A01 na elke zijweg opnieuw, en daarom eindigt een parkeer- of stilstaanverbod bij het kruispunt als er geen bord meer staat. De uitzondering is de zone, die dwars door kruispunten heen loopt — zie art. 66 hieronder. Daarnaast kent de wet drie bijzondere gevallen.

Art. 65 beperkt een bord soms tot een deel van de weg. Is de weg in rijstroken verdeeld, dan kan de toepassing van een bord tot één of meer rijstroken beperkt zijn: het getal boven jouw strook geldt voor jou, dat boven de strook ernaast niet. En art. 65 zegt over parkeerborden: «De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.» Een parkeerverbod aan de overkant is niet jouw verbod.

Art. 66 regelt het woord «zone» boven een bord. Staat er een gebiedsaanduiding bij, dan «geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied». Staat die er niet bij, dan loopt de zone van het bord tot het bijbehorende eindebord. De val zit in de kruispunten: een zone stopt NIET bij het eerste zijstraatje, want alleen het eindebord beëindigt haar.

Het onderbord: het kleinste bordje beslist

Art. 67 geeft het onderbord drie mogelijke rollen: «een nadere uitleg van het verkeersbord», een beperking tot bepaalde weggebruikers als er alleen symbolen op staan, en met het woord «uitgezonderd» het tegendeel: «het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag». Symbolen op een onderbord betekenen hetzelfde als in de bijlage.

Dat maakt het onderbord het gevaarlijkste bordje van de weg: het kan het bord voor jou volledig opheffen, of het juist alleen voor jou laten gelden. Een snelheidsbord met daaronder alleen een vrachtautosymbool gaat niet over jouw personenauto. Datzelfde bord met «uitgezonderd» ervoor gaat juist wél over jou en niet over de vrachtauto.

Serie A — snelheid

50

A01 — maximumsnelheid. Vanaf dit bord mag je niet harder dan het getal, en het bord vervangt de standaardsnelheid die zonder bord zou gelden. A02 beëindigt het, en zonder A02 houdt het op bij het volgende kruispunt — wordt het bord daarna herhaald, dan loopt het getal door. Het einde zet de wettelijke standaard terug: dat is geen vrijbrief, want dan geldt weer art. 20 binnen de bebouwde kom, met voor motorvoertuigen 50 km per uur, of art. 21 daarbuiten, met 130 km per uur op autosnelwegen, 100 km per uur op autowegen en 80 km per uur op andere wegen. A03 is hetzelfde getal op een elektronisch signaleringsbord.

50 km/h

A04 — adviessnelheid. Blauw, rechthoekig, en juridisch iets heel anders: het is geen maximum en het verandert de wettelijke snelheid niet. Wat wél bindt is art. 19: «De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.» A05 beëindigt het advies.

Een eigen snelheidsregel hoort bij het erf. Art. 45: «Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.»

Examensituatie: er staat een bord met 100 en jij rijdt een vrachtauto. Art. 63b laat het bord de snelheid wel verlagen maar niet verhogen boven het bijzondere maximum van jouw voertuig, en dat is voor de vrachtauto 80 km per uur. De laagste aanduiding telt, dus dat is jouw snelheid.

Serie B — voorrang

B01 — voorrangsweg: jij hebt voorrang op elk kruispunt zolang dit bord geldt, tot B02 het einde aangeeft.

B03, B04 en B05 — voorrangskruispunt. Let op, dit is de klassieke val: dit zijn GEEN loze waarschuwingen. Zij zeggen dat jij voorrang hebt op het EERSTVOLGENDE kruispunt, met de dikke lijn als jouw weg en de dunne lijnen als de zijwegen. Het verschil met B01 is dus niet «echt» tegenover «waarschuwing», maar de hele weg tegenover één kruispunt. Voorrang hebben is hier geen garantie: nader het kruispunt met een snelheid waarbij je kunt reageren op iemand die jouw voorrang niet ziet.

B06 — verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Stoppen hoeft niet: is de kruisende weg vrij, dan mag je doorrijden.

STOP

B07 — stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg. Twee plichten tegelijk, en de stopplicht is onvoorwaardelijk: ook op een leeg kruispunt moeten de wielen stilstaan.

Op het wegdek doet de markering hetzelfde werk zonder bord. Art. 80: «Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.» Art. 79 zegt alleen WAAR je stopt: «Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.» De stopstreep maakt de plicht dus niet; die komt van een rood licht, van B07 of van een aanwijzing.

Serie C — geslotenverklaring

Art. 1 omschrijft geslotenverklaring als «verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken». Het is dus meer dan «niet inrijden»: rijden op zo'n weg is ook verboden, ook als je er via een zijstraat in bent gekomen.

C01 sluit de weg in beide richtingen voor bijna al het verkeer; voetgangers vallen er niet onder.

C02 sluit één richting van een eenrichtingsweg af; aan de andere kant staat dan C03 of C04. C05 doet het omgekeerde en bevestigt dat inrijden juist wél mag.

C06 tot en met C16 sluiten de weg voor een CATEGORIE: C07 voor vrachtauto's, C11 voor motorfietsen, C12 voor alle motorvoertuigen, C15 voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, C16 voor voetgangers. C17 tot en met C21 sluiten hem op een MAAT: lengte, breedte, hoogte, aslast en totale massa. C22 gaat over bepaalde gevaarlijke stoffen.

C22e — milieuzone of nul-emissiezone. Dit bord zegt op zichzelf niets concreets: wat er precies verboden is, staat op het onderbord eronder. Art. 86d regelt de milieuzone en zegt dat die geldt voor personenauto's, bedrijfsauto's, vrachtauto's of autobussen met een dieselmotor. Art. 86e regelt de nul-emissiezone en geldt voor bedrijfsauto's en vrachtauto's, behalve emissieloze voertuigen. C22f beëindigt beide.

Val: het onderbord «uitgezonderd bestemmingsverkeer». Bestemmingsverkeer is in art. 1 nauw omschreven — bestuurders wier reisdoel aan of vlak bij die weg ligt en alleen via die weg te bereiken is, plus bestuurders van lijnbussen. Even een stuk afsnijden valt daar niet onder.

Serie D — verplichte rijrichting

Rond en blauw met een witte pijl: dit is de enige serie die je een richting OPLEGT.

D01 — rotonde met verplichte rijrichting. D02 verplicht je het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft, en D03 laat beide zijden toe.

D04 en D05 geven één verplichte richting, D06 en D07 een keuze uit twee.

Op het wegdek doet art. 78 hetzelfde: «Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft.» Sta je op de pijl naar links en wil je rechtdoor, dan sla je linksaf en keer je verderop; oversteken naar de goede strook mag hier niet meer.

Serie E — parkeren en stilstaan

Eerst het woordverschil, want daar gaat de helft van de fouten. Stilstaan is alle stilstand; parkeren is volgens art. 1 «het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen». Wachten op iemand die nog moet komen, is dus parkeren.

E01 — parkeerverbod. Kort stilstaan om iemand te laten in- of uitstappen mag hier nog.

E02 — verbod stil te staan. Hier mag zelfs dat niet meer.

E03 verbiedt het PLAATSEN van fietsen en bromfietsen, niet het rijden ermee.

Naast de borden verbiedt de wet zelf een aantal plaatsen. Art. 23 verbiedt stilstaan op een kruispunt of overweg, op een fietsstrook, op een oversteekplaats en binnen vijf meter daarvan, in een tunnel, langs een gele doorgetrokken streep, op de rijbaan langs een busstrook, en bij een bord bushalte «ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord».

Art. 24 verbiedt parkeren binnen vijf meter van een kruispunt, voor een inrit of uitrit, buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg, langs een gele onderbroken streep, op een laad- en losplaats, en op een plaats voor vergunninghouders bij bord E09 zonder vergunning. Staan er dagen of uren op een onderbord, dan gelden de geboden en verboden alleen op die dagen en uren; zijn er parkeervakken, dan mag je alleen in die vakken staan.

ZONE P P max 2h

E10 — parkeerschijf-zone, met E11 als einde. Art. 25 verbiedt het parkeren in zo'n zone behalve op plaatsen die als zodanig zijn aangeduid of van een blauwe streep zijn voorzien, en daar moet dan een duidelijk zichtbare parkeerschijf liggen met het aankomsttijdstip in hele of halve uren. Bij het instellen mag je naar boven afronden op het eerstvolgende hele of halve uur.

P

E06 — gehandicaptenparkeerplaats. Art. 26 laat hier alleen een gehandicaptenvoertuig toe of een motorvoertuig op meer dan twee wielen met een geldige, duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart, en alleen als het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte. Staat er een kenteken op het onderbord, dan is de plaats voor dat ene voertuig.

Art. 85 geeft de kaarthouder een gesloten lijst uitzonderingen: art. 25 geldt voor hem niet, en als er niet langer dan drie uren wordt geparkeerd ook art. 24 niet voor de gele onderbroken streep, art. 46 niet voor het erf, en art. 62 niet voor zover het bord E1 betreft. Alles wat niet in die lijst staat, blijft dus gewoon gelden.

De rest van de serie wijst plaatsen aan: E04 parkeergelegenheid, E05 taxistandplaats, E07 onmiddellijk laden en lossen, E08 met de aangegeven categorie en E08a voor kampeerwagens, E08b voor parkeren met twee wielen op het trottoir, E08c alleen voor het opladen van elektrische voertuigen, E09 voor vergunninghouders, E12 voor overstappers op het openbaar vervoer en E13 voor carpoolers.

Serie F — overige geboden en verboden

Alles wat geen snelheid, voorrang, categorie, richting of parkeren is, staat in serie F.

F01 verbiedt motorvoertuigen elkaar in te halen, F03 verbiedt het alleen aan vrachtauto's; F02 en F04 beëindigen die verboden. F07 is het keerverbod.

F05 en F06 horen bij een wegversmalling en zijn elkaars spiegelbeeld: bij F05 wacht jij op de tegenligger, bij F06 wacht de tegenligger op jou. Ze staan zelden samen in beeld, en juist daarom worden ze verwisseld: kijk welke pijl ROOD is, want rood is altijd degene die wacht. Bij F05 is de pijl omhoog — jouw richting — rood, dus wacht jij; bij F06 is de pijl omlaag — de tegenligger — rood, dus wacht die.

F08 beëindigt alle door borden aangegeven verboden tegelijk, F09 doet dat voor een elektronisch signaleringsbord.

STOP

F10 — stop. Dit is het stopteken zelf, ook in de hand van een bevoegd persoon. F11 tot en met F22 wijzen banen en stroken aan: de passeerbaan of passeerstrook van F11, waar langzaam verkeer verplicht op moet om ingehaald te kunnen worden — jij mag er niet op rijden en al helemaal niet op inhalen —, busbaan, trambaan, en stroken voor vrachtauto's en lijnbussen, telkens met een eigen eindebord.

Serie G — soort weg

Deze serie schakelt een heel REGIME in, en dat is meer dan een snelheid.

G01 — autosnelweg, G03 — autoweg. Art. 42 laat op de autosnelweg alleen motorvoertuigen toe waarmee ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden, en op de autoweg ten minste 50 km per uur. Art. 43 verbiedt er keren en achteruitrijden, verbiedt stilstaan op de rijbaan en laat de vluchtstrook, de vluchthaven en de berm alleen in noodgevallen toe. G02 en G04 beëindigen het regime.

G05 — erf. Hier gelden art. 45 en art. 46 samen: niet harder dan 15 km per uur, en parkeren alleen op plaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven. G06 beëindigt het.

G11 — verplicht fietspad, G12a — fiets/bromfietspad, G13 — onverplicht fietspad. Wie waar hoort, staat niet op het bord maar in de wet. Art. 5: fietsers gebruiken het verplichte fietspad, en over het onverplichte zegt hetzelfde artikel: «Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken.» Mogen, niet moeten — de fietser mag dus op de rijbaan blijven. Art. 6: «Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad», dus bij G12a moet de bromfietser van de rijbaan af, en bij G11 hoort hij er juist niet.

G07 is het voetpad: art. 4 zegt dat voetgangers het trottoir of het voetpad gebruiken. G09 is het ruiterpad: art. 8 zegt dat ruiters het ruiterpad gebruiken, en art. 36 legt hun een lantaarn op die bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht naar voren wit of geel en naar achteren rood licht straalt. G10 beëindigt het ruiterpad.

Serie H — bebouwde kom

Plaatsnaam

H01 is het plaatsnaambord en tegelijk een juridische schakelaar: vanaf hier gelden de maximumsnelheden van art. 20 en alle andere regels die aan de bebouwde kom hangen. H02 zet dat weer uit, en dan neemt art. 21 het over.

Val: mensen lezen H01 als reclame voor het dorp en H02 als vrij baan. Beide zijn verkeerstekens met rechtsgevolg, en het einde van de bebouwde kom verhoogt niet zomaar je snelheid — daarvoor moet je weten op wat voor weg je terechtkomt.

Serie J — waarschuwing

Driehoekig, witte grond, rode rand, punt naar boven. Deze serie GEBIEDT en VERBIEDT niets: zij vertelt wat er komt. J01 slecht wegdek, J02 en J03 bochten, J08 gevaarlijk kruispunt, J09 rotonde, J10 tot en met J13 overwegen, J16 werk in uitvoering, J20 slipgevaar, J21 kinderen, J22 voetgangersoversteekplaats, J24 fietsers en bromfietsers, J27 groot wild, J32 verkeerslichten, J38 verkeersdrempel, J39 poller.

J37 is het lege waarschuwingsbord: het gevaar staat op het onderbord.

Precies omdat deze borden niets verbieden, hangt het antwoord bijna altijd aan art. 19: je moet kunnen stoppen binnen de afstand die je overziet en die vrij is. De juiste reactie op een waarschuwingsbord is snelheid en afstand, niet een manoeuvre.

J29 — tegenliggers. Het bord waarschuwt dat er vanaf hier weer verkeer uit de andere richting komt, bijvoorbeeld waar een stuk eenrichtingsverkeer of een weg met gescheiden rijbanen overgaat in een gewone weg met verkeer in twee richtingen. Ook J29 gebiedt niets: wachten hoeft niet. Wat je wél moet, staat in art. 3: «Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.» Houden jij en de tegenligger allebei rechts, dan kruisen jullie elkaars weg niet en is er geen voorrang te verlenen. Een wachtplicht voor tegemoetkomend verkeer ontstaat pas bij F05, en dat is een bord uit serie F, geen waarschuwing.

Examensituatie: je ziet J29 en er komt iemand tegemoet. Moet je wachten? Nee. Je houdt rechts volgens art. 3 en past je snelheid aan volgens art. 19; wachten hoort bij F05, niet bij J29.

Serie K — bewegwijzering

Centrum 1 Brielle 32 route 18

K01 tot en met K14 zijn de wegwijzers: voorwegwijzers die iets aankondigen, beslissingswegwijzers op het punt zelf, wijkwegwijzers binnen de bebouwde kom, handwijzers en stapelborden voor fietsers en bromfietsers, en het bord voor de route voor bepaalde gevaarlijke stoffen. Ze geven richting en informatie; ze regelen geen voorrang en heffen geen verbod op.

Twee verwisselingen komen terug op het examen: de voorwegwijzer tegenover de beslissingswegwijzer — de eerste kondigt aan, de tweede staat op de splitsing zelf — en het routenummer tegenover het afritnummer.

Serie L — informatie

Rechthoekig en blauw: deze borden melden een feit.

L02 kondigt een voetgangersoversteekplaats aan.

L03 wijst een bushalte of tramhalte aan; daarbij hoort het stilstaanverbod van art. 23 met de geblokte markering.

17 km

L13 meldt een verkeerstunnel. Het bord zet je licht niet aan: dat doet art. 32, dat dimlicht voorschrijft bij nacht en bij dag als het zicht ernstig wordt belemmerd.

Verder in deze serie: L01 hoogte van een onderdoorgang, L04 voorsorteren, L05 einde rijstrook, L07 aantal doorgaande rijstroken, L08 doodlopende weg met L09 als vooraanduiding, L11 en L12 die zeggen dat het bord erboven alleen voor de aangegeven rijstroken geldt — de bordvorm van art. 65 — en L14 de vluchthaven, waar art. 43 bepaalt wanneer je hem mag gebruiken.

Tekens op het wegdek

Markering is een volwaardig verkeersteken en werkt zonder bord.

Art. 76: «Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.» Dat verbod vervalt in drie gevallen: om een vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten, als aan JOUW kant een onderbroken streep ligt, en voor bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken. De streep langs de rand van de verharding — de kantstreep — valt buiten dit verbod. Een onderbroken streep betekent overigens niet dat inhalen altijd mag: hij neemt alleen dit verbod weg, terwijl zicht, ruimte en de andere regels blijven gelden.

Art. 77: «Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.» Art. 1 omschrijft ze: een verdrijvingsvlak is een «gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht», een puntstuk een «meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen».

Art. 11 geeft de blokmarkering haar betekenis: wie zich rechts van een blokmarkering bevindt, mag bestuurders links ervan rechts inhalen. Art. 10 gaat over de fietsstrook: andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken. Een rode strook zonder fietssymbool is géén fietsstrook — art. 1 eist daarvoor afbeeldingen van een fiets — maar gewone rijbaan.

Art. 81 geeft de woorden op het wegdek hun waarde: busbanen en busstroken met het woord BUS «mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram», en met het woord LIJNBUS alleen door de lijnbus of de tram. Art. 25 geeft de blauwe streep langs een vak zijn betekenis in de parkeerschijf-zone; art. 23 en art. 24 doen dat voor de gele doorgetrokken en de gele onderbroken streep langs de kant.

En art. 63a blijft hier het scherpst: ligt er bij werkzaamheden een gele streep over een witte, dan volg je de gele.

Verkeerslichten

Art. 68 geeft de driekleurige lichten hun betekenis: «a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop.» Een verlichte pijl geldt alleen voor die richting. Een verlichte afbeelding van een fiets geldt voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Hangt er boven één rijstrook een eigen licht, dan gaat dat licht alleen over die strook. En staat er een bordje «Rechtsaf voor fietsers vrij», dan gelden geel en rood niet voor de rechts afslaande fietser, die dan wel het overige verkeer voor moet laten gaan.

Art. 69 kent het tweekleurige licht: alleen geel en rood, zoals voor een beweegbare brug. Er is dus geen groen — wachten tot het licht uit is, is hier het normale beeld.

Art. 70 geeft de tram/buslichten: wit licht of wit knipperlicht betekent doorgaan, geel en rood betekenen stop. Deze lichten gelden ook voor jou zodra je een busbaan of busstrook gebruikt, of je daar nu mag rijden of niet. Art. 71: «Bij overweglichten betekent: a. wit knipperlicht: er nadert geen trein; b. rood knipperlicht: stop.»

Art. 74 regelt de voetgangerslichten: groen en groen knipperend betekenen oversteken, rood betekent niet meer beginnen, en wie al oversteekt loopt zo snel mogelijk door.

Groen betekent trouwens niet «rijden» maar «doorgaan mag»: staat het kruispunt vol, dan blijf je staan. En stopt je licht op rood terwijl er een stopstreep ligt, dan zegt art. 79 waar je stopt: vóór de streep, niet erop.

Aanwijzingen: de mens boven alles

Art. 82 zegt wie een aanwijzing mag geven: «de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren», militairen van de Koninklijke Marechaussee, «de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars» en mensen in opleiding tot verkeersregelaar in de voorgeschreven kleding. Hetzelfde artikel verplicht je ook het stopteken van een bevoegde en herkenbare verkeersbrigadier op te volgen — de ouder of oudere leerling bij de school heeft dus een echte bevoegdheid.

Art. 83 gaat over het stopteken van een voertuig: een rode lamp of een verlicht transparant op een politievoertuig of op een voertuig van weginspecteurs van Rijkswaterstaat met de woorden stop of stop politie in rode letters. Art. 82a verplicht je de aanwijzingen op te volgen die met verlichte transparanten worden gegeven op voertuigen van twee groepen diensten uit art. 41a: de politie en de bijzondere opsporingsdiensten, en Rijkswaterstaat, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de douane — en op bedrijfsauto's van transportbegeleiders. De brandweer en de pechhulpdiensten staan wel in art. 41a, maar niet in deze verwijzing.

En dan sluit art. 84 de cirkel: aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels. Een gele hesje op zichzelf is geen bevoegdheid; bevoegd én kenbaar zijn twee eisen tegelijk.

Wat je onthoudt

  • Verkeersteken is een verzamelwoord: bord, licht én markering vallen eronder.
  • De volgorde is aanwijzing, dan licht, dan bord of markering, dan de gewone regel.
  • Het licht wint alleen van de tekens die de VOORRANG regelen; groen heft geen verbod op.
  • Bij werkzaamheden gaat de tijdelijke markering boven de vaste.
  • Een bord kan de snelheid verlagen, maar niet verhogen boven het maximum van jouw eigen voertuig; bij twee aanduidingen telt de laagste.
  • Letter, vorm en kleur samen lezen een onbekend bord: rond met rood verbiedt, rond en blauw gebiedt, driehoek waarschuwt, rechthoek informeert.
  • B03, B04 en B05 geven voorrang op het EERSTVOLGENDE kruispunt; B01 op de hele weg.
  • Een zone eindigt pas bij haar eindebord, niet bij het eerste zijstraatje.
  • Het onderbord kan het bord uitleggen, beperken of voor jou uitschakelen — lees het altijd.
  • Parkeerborden gelden alleen voor hun eigen kant van de weg, en een bord kan tot één rijstrook beperkt zijn.
  • Haaientanden werken zonder bord; de stopstreep zegt alleen waar je stopt.
  • Waarschuwingsborden verbieden niets; het antwoord zit in snelheid en zicht.

In de wet

  • art. 1 — definities: weggebruikers, bestuurders, parkeren, geslotenverklaring, haaientanden, verdrijvingsvlak, puntstuk, fietsstrook.
  • art. 3 — zoveel mogelijk rechts houden; bord J29.
  • art. 4 — voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad; bord G07.
  • art. 5 — fietsers en het verplichte en onverplichte fietspad; borden G11 en G13.
  • art. 6 — bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad; bord G12a.
  • art. 8 — ruiters gebruiken het ruiterpad; bord G09.
  • art. 10 — fietsstroken met doorgetrokken strepen zijn niet voor andere bestuurders.
  • art. 11 — rechts van een blokmarkering mag rechts worden ingehaald.
  • art. 15 — rechts gaat voor, de regel onder alle tekens.
  • art. 19 — kunnen stoppen binnen de afstand die je overziet; de kern van serie J en van A04.
  • art. 20 — maximumsnelheden binnen de bebouwde kom; bord H01.
  • art. 21 — maximumsnelheden buiten de bebouwde kom; bord H02.
  • art. 23 — waar stilstaan verboden is, met de bushalte en de geblokte markering.
  • art. 24 — waar parkeren verboden is, met dagen, uren en parkeervakken.
  • art. 25 — parkeerschijf-zone en de blauwe streep; borden E10 en E11.
  • art. 26 — wie op een gehandicaptenparkeerplaats mag staan; bord E06.
  • art. 32 — dimlicht bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht; bord L13.
  • art. 36 — lantaarn voor ruiters en geleiders; bord G09.
  • art. 41a — welke diensten verlichte transparanten mogen voeren.
  • art. 42 — minimumsnelheid op autosnelweg en autoweg; borden G01 en G03.
  • art. 43 — keren, stilstaan en de vluchtstrook op autosnelweg en autoweg.
  • art. 45 — binnen een erf niet sneller dan 15 km per uur; bord G05.
  • art. 46 — parkeren binnen een erf alleen op aangeduide plaatsen.
  • art. 62 — de plicht om verkeerstekens met een gebod of verbod op te volgen.
  • art. 63 — tekens gaan boven regels, voor zover die onverenigbaar zijn.
  • art. 63a — tijdelijke markering gaat boven vaste markering.
  • art. 63b — bij snelheid telt de laagste aanduiding.
  • art. 64 — lichten gaan boven de tekens die de voorrang regelen.
  • art. 65 — een bord kan tot rijstroken beperkt zijn; E1, E2 en E3 gelden per zijde.
  • art. 66 — het woord zone en het bijbehorende eindebord.
  • art. 67 — wat een onderbord kan doen: uitleggen, beperken, uitzonderen.
  • art. 68 — betekenis van groen, geel en rood; pijl, fietsbeeld en rijstrook.
  • art. 69 — het tweekleurige licht kent alleen geel en rood.
  • art. 70 — tram/buslichten: wit doorgaan, geel en rood stop.
  • art. 71 — overweglichten: wit knipperlicht vrij, rood knipperlicht stop.
  • art. 74 — voetgangerslichten.
  • art. 75 — geel knipperlicht betekent gevaarlijk punt.
  • art. 76 — de doorgetrokken streep en de drie uitzonderingen.
  • art. 77 — verdrijvingsvlakken en puntstukken zijn verboden.
  • art. 78 — de pijl in de voorsorteerstrook is bindend.
  • art. 79 — stoppen vóór de stopstreep als stoppen verplicht is.
  • art. 80 — haaientanden: voorrang verlenen aan de kruisende weg.
  • art. 81 — de woorden BUS en LIJNBUS op busbanen en busstroken.
  • art. 82 — wie aanwijzingen mag geven, en de verkeersbrigadier.
  • art. 82a — aanwijzingen via verlichte transparanten.
  • art. 83 — het stopteken met rode lamp of verlicht transparant.
  • art. 84 — aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.
  • art. 85 — de gesloten lijst uitzonderingen van de gehandicaptenparkeerkaart.
  • art. 86d — de milieuzone achter bord C22e.
  • art. 86e — de nul-emissiezone achter bord C22e.

Volgende les

Gecontroleerd op: